ECLI:NL:RBOVE:2017:2996

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2017
Publicatiedatum
26 juli 2017
Zaaknummer
C/08/204728 / KG ZA 17-230
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.L.J. Koopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 4 RvArt. 3:84 lid 1 BWArt. 3:84 lid 3 BWArt. 7:1 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executie door gerechtsdeurwaarder mag doorgaan ondanks eigendomsgeschil roerende zaken

In deze kort geding procedure heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van eiser conservatoir beslag gelegd op roerende zaken bij de gedaagde. De kantonrechter had gedaagde veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan eiser. De deurwaarder betekende de executoriale grosse en kondigde openbare verkoop van de zaken aan.

Belanghebbende stelde dat hij eigenaar was van de roerende zaken op grond van een bruikleen- en koopovereenkomst met gedaagde en gaf geen toestemming tot verkoop. Hij stelde de deurwaarder aansprakelijk voor schade bij verkoop. De deurwaarder verzocht de voorzieningenrechter te beslissen of de executie mocht doorgaan.

De voorzieningenrechter overwoog dat in kort geding geen declaratoir vonnis kan worden gewezen, maar dat de vraag was of de deurwaarder de executie mocht voortzetten. De bruikleen- en koopovereenkomst boden onvoldoende bewijs van eigendomsoverdracht, mede omdat de zaken vermoedelijk als zekerheid waren gegeven en het bedrag nog niet was vastgesteld. Hierdoor was onvoldoende aannemelijk dat belanghebbende eigenaar was geworden.

Daarom mocht de openbare verkoop doorgaan. De deurwaarder had zijn bevoegdheid niet onnodig uitgeoefend en werd niet persoonlijk in de kosten veroordeeld. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De gerechtsdeurwaarder mag de executie voortzetten en de openbare verkoop van de roerende zaken doorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer : C/08/204728 / KG ZA 17-230
Vonnis in kort geding van 17 juli 2017
in de door
Mathijs Kroep,
gerechtsdeurwaarder te Enschede,
verder te noemen de gerechtsdeurwaarder,
op grond van artikel 438 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aanhangig gemaakte zaak tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser ] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen [eiser ] ,
advocaat: mr. J. de Jong van Lier te Enschede,
en
[gedaagde],
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen [gedaagde] ,
Als belanghebbende is tevens aangemerkt
[belanghebbende] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende] ,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder ex artikel 438 lid 4 Rv Pro met 7 producties,
  • stukken aan de zijde van [belanghebbende] ,
  • aanvullende stukken aan de zijde van de gerechtsdeurwaarder,
  • de mondelinge behandeling op 14 juli 2017.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 21 april 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder, op verzoek van [eiser ] , conservatoir beslag gelegd op roerende zaken, zich bevindende in de onroerende zaak aan [het adres] , ten laste van [gedaagde] .
2.2.
Bij vonnis van 13 juni 2017 van de kantonrechter van deze rechtbank is [gedaagde] onder meer veroordeeld om aan [eiser ] te betalen een bedrag van € 45.770,98, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.
2.3.
Op 14 juni 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder aan [gedaagde] de executoriale grosse van het vonnis d.d. 13 juni 2017 betekend met de aanzegging dat het conservatoire beslag executoriaal is geworden en de openbare verkoop van de in beslag genomen roerende zaken op 18 juli 2017 om 11.00 uur zal plaatsvinden.
2.4.
Op 3 juli 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder een e-mail gekregen van [belanghebbende] met de mededeling dat diverse in beslag genomen roerende zaken zijn eigendom zouden zijn en hij deze wenste op te halen. Bij deze e-mail heeft [belanghebbende] een bruikleenovereenkomst d.d. 2 april 2012 tussen [belanghebbende] en [gedaagde] gevoegd.
2.5.
Op 3 juli 2017 heeft mr. De Jong van Lier telefonisch contact opgenomen met [belanghebbende] . Na dit gesprek heeft mr. De Jong van Lier de volgende e-mail -voor zover van belang- aan [belanghebbende] gezonden (waarbij [gedaagde] is):
“Als gezegd in het kort de bevestiging over de in bruikleen gegeven machines:
  • Rond 2004 (of misschien een paar jaar later) heeft u veel met [gedaagde] samengewerkt (…).
  • U moest nog (uw) uren met hem afrekenen, maar hij had geen geld. Hij stelde voor dat u de machines zou aannemen als zekerheid. Het was volgens u niet veel waard, maar het was wat u betreft OK. Als er geld zou komen, kon hij de machines terug krijgen.
  • De machines zijn steeds bij [gedaagde] in de hal in [vestigingsplaats] blijven staan. Om de eigendom goed vast te leggen is er toen wel de bruikleenovereenkomst getekend.
Klopt dat zo? (Graag een “OK” als het klopt, of uw aanpassing als het niet klopt). (…)”
2.6.
Op 3 juli 2017 heeft [belanghebbende] op deze e-mail aan De Jong van Lier geantwoord:
“Het is min of meer correct weergegeven. Dus wat mij betreft Oké.”
2.7.
Vervolgens hebben partijen geprobeerd tot een minnelijke regeling te komen, hetgeen niet is gelukt.
2.8.
Op 11 juli 2017 heeft [belanghebbende] aan de gerechtsdeurwaarder een e-mail gestuurd met als bijlage een overeenkomst van koop ex artikel 7:1 BW Pro d.d. 2 april 2012 tussen [gedaagde] en [belanghebbende] . Volgens [belanghebbende] is hij -gelet op deze overeenkomst en de overeenkomst van bruikleen- eigenaar van de in deze overeenkomsten genoemde roerende zaken. [belanghebbende] geeft geen toestemming tot verkoop van deze goederen en stelt de gerechtsdeurwaarder aansprakelijk voor de door [belanghebbende] geleden schade en kosten, indien de gerechtsdeurwaarder tot verkoop van deze zaken overgaat.

3.Het verzoek

3.1.
De deurwaarder verzoekt de voorzieningenrechter om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te beslissen of de roerende zaken als vermeld in de onderhandse koopovereenkomst en de bruikleenovereenkomst eigendom zijn van [gedaagde] en dus wel of niet openbaar verkocht mogen worden ten laste van [gedaagde] .
3.2.
Op de standpunten van partijen wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in kort geding geen declaratoir vonnis kan worden gewezen. De voorzieningenrechter vat het verzoek van de gerechtsdeurwaarder dan ook op als een verzoek om een beslissing te nemen op de vraag of de gerechtsdeurwaarder de ingezette executie, op de wijze zoals door hem is georganiseerd, mag doorzetten. De voorzieningenrechter antwoordt deze vraag bevestigend en acht hiertoe het volgende van belang.
4.2.
Niet in geschil is dat [gedaagde] (aanvankelijk) eigenaar was van de roerende zaken als vermeld in de onderhandse koopovereenkomst en de bruikleenovereenkomst. Voor overdracht van deze zaken van [gedaagde] aan [belanghebbende] is op grond van artikel 3:84 lid 1 BW Pro een rechtsgeldige titel, beschikkingsbevoegdheid en levering vereist. De voorzieningenrechter acht de door [gedaagde] overgelegde bruikleenovereenkomst en onderhandse koopovereenkomst voorshands onvoldoende om thans te kunnen concluderen dat sprake is van een rechtsgeldige titel voor eigendomsoverdracht. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat uit bovenvermelde e-mail van 3 juli 2017 van mr. De Jong van Lier en het antwoord van [belanghebbende] hierop voldoende aannemelijk is geworden dat [belanghebbende] de roerende zaken van [gedaagde] heeft gekregen als zekerheid voor hetgeen [belanghebbende] nog van [gedaagde] te vorderen had, welk bedrag toen en nu kennelijk nog steeds niet vaststaat c.q. door partijen is afgesproken. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 BW Pro is een rechtshandeling, die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid, echter geen geldige titel van overdracht van dat goed.
4.3.
Reeds gelet op het vorenstaande is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat [belanghebbende] eigenaar is geworden van de roerende zaken als vermeld in de onderhandse koopovereenkomst d.d. 2 april 2017 en de overeenkomst van bruikleen d.d. 2 april 2017. Dit betekent dat de openbare verkoop van de in beslag genomen roerende zaken op 18 juli 2017 om 11.00 uur mag plaatsvinden.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat de gerechtsdeurwaarder de bevoegdheid ex artikel 438 lid 4 Rv Pro niet nodeloos heeft uitgeoefend, zodat geen aanleiding bestaat hem persoonlijk in de kosten te veroordelen. [eiser ] zal als executant in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op € 287,00 aan griffierecht.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder de ingezette executie, op de wijze zoals door hem is georganiseerd, mag doorzetten,
5.2.
veroordeelt [eiser ] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 287,00 aan griffierecht,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op
17 juli 2017.