Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2017:3336

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 april 2017
Publicatiedatum
24 augustus 2017
Zaaknummer
198724 FT RK 17/317
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Bosch
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 1 onder c FwArt. 288 lid 3 FwArt. 292 lid 3 FwArt. 361 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens schulden te kwader trouw en onberecht vermogensdelict

Verzoeker heeft op 1 maart 2017 een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld op 10 april 2017, waarbij verzoeker en zijn beschermingsbewindvoerder aanwezig waren. Uit de stukken en verklaringen blijkt dat verzoeker diverse verkeersboetes heeft openstaan bij het CJIB, ontstaan in 2015 en 2016, ter hoogte van ruim €3.200.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van deze schulden en dat er bovendien een nog niet berecht vermogensdelict (winkeldiefstal) op zijn naam staat. Verzoeker verklaarde dat hij niet vrijwillig de schuldsaneringsregeling wenst en dat hij sinds enige tijd geen alcohol of drugs meer gebruikt. Desondanks acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen.

Op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b en c van de Faillissementswet wijst de rechtbank het verzoek af. De hardheidsclausule is niet van toepassing omdat het verzoek ook op andere gronden wordt afgewezen. Verzoeker heeft de mogelijkheid tot hoger beroep binnen acht dagen na uitspraak, dat moet worden ingediend bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens schulden te kwader trouw en een onberecht vermogensdelict.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: 198724 FT RK 17/317
datum uitspraak: 24 april 2017 (mbh)
Vonnis van rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
beschermingsbewindvoerder: Bureau Tjeenk Willink te Epe.

Het procesverloop

Verzoeker heeft op 1 maart 2017 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling met bijlagen ingediend.
Op 6 april 2017 heeft de beschermingsbewindvoerder nadere stukken overgelegd.
Het verzoek is behandeld op 10 april 2017.
Ter zitting verscheen verzoeker, vergezeld van de dames [A] en [B] , werkzaam ten kantore van de beschermingsbewindvoerder.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Bij de beoordeling heeft de rechtbank acht geslagen op:
  • het door verzoeker overgelegde verzoekschrift met bijlagen;
  • de door de beschermingsbewindvoerder overgelegde nadere stukken;
  • een opgave van het CJIB van ten name van verzoeker openstaande boetes;
  • een uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst ten name van verzoeker.

De beoordeling

De feiten:
Verzoeker is niet gehuwd of gehuwd geweest.
Verzoeker heeft een uitkering krachtens de Participatiewet volgens de norm van een kamerbewoner. Verzoeker huurt een kamer.
Verzoeker heeft volgens zijn opgave een schuldenlast van € 7.271,40, waaronder schulden aan het CJIB tot een bedrag van € 3.022,00. Volgens opgave van het CJIB bedragen de schulden € 3.232,00, bestaande uit 8 (verkeers)boetes, opgelegd in samenhang met drie verschillende kentekens.
Het standpunt van of namens verzoeker:
Mevrouw [A] verklaart dat het beschermingsbewind goed loopt en dat er, voor zover bekend, geen nieuwe schulden zijn ontstaan. De kamerhuur wordt voldaan en de huurschuld die op het schuldenoverzicht staat, is ontstaan vóór instelling van het beschermingsbewind.
Verzoeker heeft verklaard dat hij de auto’s, waarmee hij boetes heeft opgelopen, niet meer heeft. De boetes zijn ontstaan toen er sprake was van alcohol- en drugsgebruik door verzoeker. Verzoeker gebruikt al een jaar geen alcohol of drugs meer. Verzoeker wordt sinds 2016 behandeld en dat gaat volgens hem goed. Verzoeker slaapt vaak in een auto, die van een kennis is. Verzoeker doet dit omdat hij boven een café woont, waar drugs worden verkocht en waar geluidsoverlast is.
Verzoeker voelt zich meegesleept naar de WSNP en vindt dat raar.
De motivering van de beslissing:
1. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen. Hiertoe dient het volgende.
2. In de eerste plaats moet het verzoek worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro c Fw.
De rechtbank acht het namelijk niet aannemelijk dat verzoeker de verplichtingen tijdens de schuldsaneringsregeling zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring van verzoeker ter zitting dat hij is meegesleept naar de WSNP, hetgeen de rechtbank niet anders kan verstaan dan dat het niet de uitdrukkelijke, eigen wens van verzoeker is een wsnp-verzoek te doen. Dit klemt te meer gelet op alle verplichtingen die voor verzoeker uit een wettelijke schuldsaneringsregeling zullen voortvloeien. De rechtbank heeft er dan ook geen vertrouwen in dat verzoeker die verplichtingen uit een schuldsaneringsregeling naar behoren na zal komen.
Daarnaast is uit een door de rechtbank opgevraagd JDS-uittreksel gebleken dat verzoeker verdacht wordt van een op 22 januari 2015 gepleegd vermogensdelict (winkeldiefstal), welk strafbaar feit nog niet is berecht.
3. In de tweede plaats moet het verzoek worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b Fw. Gebleken is immers dat verzoeker schulden heeft aan het CJIB wegens diverse (verkeers)boetes, opgelegd in 2015 en 2016 , tot een totaalbedrag van € 3.232,00. Verzoeker is ten aanzien van het ontstaan van die schulden niet te goeder trouw geweest en de aard van die schulden maakt een verdere motivering overbodig.
4. Nu het onderhavige verzoek mede wordt afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro c Fw. is er voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro, zo daar een beroep op zou zijn gedaan, geen plaats.

De beslissing

De rechtbank:
Wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. Bosch, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 24 april 2017, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.De schuldenaar heeft gedurende