De echtgenoot van eiseres is bij verstek veroordeeld tot betaling van een geldsom aan Lansinkveste, waarna executoriaal beslag is gelegd op roerende zaken. Eiseres, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, vordert opheffing van het beslag op haar goederen omdat deze niet aan haar echtgenoot toebehoren.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het beslag terecht is gelegd op grond van de veroordeling en dat schorsing van executie slechts bij hoge uitzondering kan worden bevolen. De staat van aanbrengsten uit 1991 is verouderd en er is geen jaarlijks verrekeningsmoment geweest, waardoor de goederen zijn verwaterd en deel uitmaken van de gemeenschap.
Wel wordt het beslag opgeheven op zes goederen die volgens een verklaring aan eiseres toebehoren en op een herenfiets die eigendom is van een derde, omdat hiervoor voldoende aannemelijkheid bestaat. Het overige beslag blijft gehandhaafd en mag worden verkocht. De proceskosten worden gecompenseerd.