Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[A] ,
Het procesverloop
De beoordeling
- Belastingdienst ad € 16.077,19;
- LBIO ad € 7.721,59;
- Rabobank ad € 11.538,51;
- CJIB ad € 1.176,- (WAHV-boete);
- ABN AMRO Bank ad € 3.686,30;
- gemeente Amsterdam ad € 1.058,20.
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van [A] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en gelijktijdige opheffing van zijn faillissement. [A] was failliet verklaard op eigen aangifte en had een totale schuldenlast van ruim €53.000. De curator stelde dat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan en dat [A] geen betalingsvoorstel deed voor een boedelachterstand van €980, ondanks dat hij vanaf september 2016 toeslagen ontving.
Tijdens de zitting verklaarde [A] dat hij moeite heeft met het beheren van zijn financiën en geen betalingsvoorstel kon doen vanwege persoonlijke omstandigheden. De curator adviseerde hem beschermingsbewind of psychische bijstand aan te vragen, maar [A] heeft dit niet gedaan. De rechtbank constateerde dat [A] zijn financiële verplichtingen niet nakomt, geen reserveringen maakt voor onvoorziene kosten en onvoldoende steun heeft bij het beheer van zijn financiën.
De rechtbank oordeelde dat er gegronde vrees bestaat dat [A] zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet zal nakomen, waaronder het tijdig verstrekken van inlichtingen, afdragen van spaarcapaciteit en voorkomen van nieuwe schulden. Daarom werd het verzoek afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 sub c Faillissementswet Pro. De schuldenlast werd niet nader besproken omdat het primaire bezwaar de onvoldoende nakoming van verplichtingen betrof.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende nakoming van verplichtingen.