ECLI:NL:RBOVE:2018:2194

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 juni 2018
Publicatiedatum
26 juni 2018
Zaaknummer
08.770357-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs van verkrachting en mishandeling

De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en meervoudige mishandeling van zijn toenmalige echtgenote in de periode van 2011 tot 2013.

De tenlastelegging omvatte verkrachting in mei 2013 en meerdere mishandelingen tussen september 2011 en juni 2013. Verdachte ontkende de feiten en beriep zich grotendeels op zijn zwijgrecht. De officier van justitie vorderde vrijspraak voor de verkrachting wegens gebrek aan bewijs, maar veroordeling voor mishandeling. De verdediging vorderde vrijspraak voor beide feiten.

De rechtbank constateerde dat er geen getuigenverklaringen of andere bewijzen waren die de verkrachting concreet ondersteunden, ondanks meldingen van derden. Ook de medische verklaring bood onvoldoende steun. Voor de mishandelingen was slechts één getuigenverklaring aanwezig, maar deze was onduidelijk en werd niet door het slachtoffer bevestigd. Hoewel er aanwijzingen waren voor een problematische thuissituatie met ruzies en lichte verwondingen, achtte de rechtbank het scenario van verdachte en zijn dochter, dat letsels voortkwamen uit valpartijen en eigen gedrag van het slachtoffer, niet onwaarschijnlijk.

Gelet op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van beide tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting en mishandeling wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.770357-17
Datum vonnis: 26 juni 2018
Vonnis op tegenspraak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 juni 2018.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. C.Y. Huang, en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 3 mei 2013 tot en met 4 mei 2013 [slachtoffer] heeft verkracht;
feit 2: in de periode van 22 september 2011 tot en met 16 juni 2013 [slachtoffer] meermalen heeft mishandeld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2013 tot en met 4 mei 2013 te Muntendam, gemeente Menterwolde, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] hebbende verdachte (telkens):
- zijn verdachtes, penis (met kracht) in de vagina van die [slachtoffer]
geduwd/gebracht en/of (vervolgens) heen en weer bewogen en/of
- ( (vervolgens) in de vagina van die [slachtoffer] geëjaculeerd,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging
met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer] (stevig) bij de schouders/armen heeft vastgepakt en/of (vervolgens) op het bed heeft geduwd/gegooid en/of
- ( (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: “Wel godverdomme als ik je
neuken wi1 dan neuk ik je”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of
strekking en/of
- met zijn, verdachtes benen de benen van die [slachtoffer] (met kracht) uit
elkaar heeft geduwd/gedaan en/of
  • (vervolgens) zijn, verdachtes, penis (met kracht) in de vagina van die
  • (telkens) voorbij is gegaan aan de door die [slachtoffer] afgegeven signalen en
uitlatingen dat zij voornoemde handelingen van hem, verdachte, niet wilde ondergaan en/of
  • (telkens) gebruik heeft gemaakt van zijn, verdachtes, fysieke overwicht en/of
  • (telkens) misbruik heeft gemaakt van de toestand waarin die [slachtoffer] zich, door het gebruik van alcohol en/of medicijnen bevond en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
2
hij in of omstreeks de periode van 22 september 2011 tot en met 16 juni 2013 te Veendam en/of Muntendam in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, (telkens):
  • (met kracht) om/bij de arm(en) heeft vastgepakt/vastgehouden en/of heen en weer heeft geschud en/of (vervolgens) voornoemde arm(en) heeft (om)gedraaid en/of
  • (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of hoofd heeft geslagen en/of
  • (met kracht) heeft geduwd/gegooid en/of
  • een bank op de voet heeft laten vallen,
waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsoverwegingen

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde wordt vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Verder heeft de officier van justitie de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zowel van het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs, met name nu er reden is te twijfelen aan de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .
4.3
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer] heeft op 13 mei 2015 aangifte gedaan van verkrachting en mishandelingen gepleegd door verdachte, haar toenmalige echtgenoot. Verdachte heeft zich tijdens de verhoren bij de politie hoofdzakelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Ter zitting heeft hij verklaard dat de feiten waarvan aangifte is gedaan, nooit zijn gebeurd.
Vooropgesteld zij dat feiten als de onderhavige, verkrachting en mishandeling in huiselijke kring, veelal plaatsvinden zonder dat daarbij getuigen aanwezig zijn. In beginsel zal dan worden onderzocht of er steun voor de aangifte kan worden gevonden in overige bewijsmiddelen. Wat betreft de onder 1 ten laste gelegde verkrachting is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat dit steunbewijs ontbreekt. Meerdere personen hebben van [slachtoffer] gehoord dat zij door verdachte zou zijn verkracht. Echter, behalve dit gegeven, hebben deze personen geen concrete feiten of omstandigheden over deze vermeende verkrachting kunnen geven. Ook in de geneeskundige verklaring, waarin is vermeld dat [slachtoffer] had verteld door verdachte te zijn verkracht, is onvoldoende steun voor de aangifte te vinden. Verdachte zal derhalve wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van dit feit worden vrijgesproken.
Wat betreft de gestelde mishandelingen stelt de rechtbank vast dat in het dossier nagenoeg geen verklaringen aanwezig zijn die de aangifte op dit punt direct ondersteunen. De enige die heeft verklaard getuige van een (gewelds)incident te zijn geweest, is de vader van [slachtoffer] . Hij heeft verklaard één keer te hebben gezien dat verdachte [slachtoffer] een tik heeft gegeven. Echter, niet duidelijk is wanneer en in welk verband dit zou hebben plaatsgevonden, te meer nu [slachtoffer] zelf over dit specifieke voorval niet heeft verklaard. Enige steun voor de aangifte kan deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bieden. In de stukken is verder wel in enige mate ondersteuning te vinden voor de door [slachtoffer] geschetste contexten waarin de mishandelingen zich zouden hebben afgespeeld. Uit verschillende (mutatie)rapporten van de hulpdiensten en ook verklaringen van buren blijkt dat er vaak ruzie in de woning van verdachte en [slachtoffer] is geweest, waarbij in sommige gevallen spullen zijn stuk gegaan en aangeefster (lichte) verwondingen had. Tevens is op momenten door meerdere personen waargenomen dat [slachtoffer] blauwe plekken had op (met name) haar gezicht. De vraag is of hiermee voldoende vast is komen te staan dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. Voor de beantwoording van die vraag acht de rechtbank het volgende van belang. Uit het dossier komt evident het beeld naar voren dat [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode een alcoholprobleem had. Volgens de verklaringen van dochter [naam dochter] en van verdachte zouden de letsels bij [slachtoffer] zijn ontstaan doordat [slachtoffer] vanwege dronkenschap vaak is gevallen en zichzelf daardoor zou hebben verwond. Daarbij zou [slachtoffer] volgens verdachte tijdens ruzies in hun woning veelal zelf met spullen hebben gegooid. [naam dochter] ondersteunt daarbij de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] (in de betreffende periode) leugens heeft verspreid en psychisch instabiel was. De rechtbank acht het hiervoor door verdachte en zijn dochter geschetste scenario, ook in het licht bezien van de overige stukken, niet zonder meer onwaarschijnlijk en ook niet uit te sluiten. Gezien deze constatering en het feit dat de aangifte alleen op indirecte punten, en dus niet ten aanzien van de gestelde geweldshandelingen zelf, door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. Verdachte wordt daarom ook van dit feit vrijgesproken.

5.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.R. Schimmel, voorzitter, mr. M. van Bruggen en
mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2018.