Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
- schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, door schending van een redelijke en billijke belangenafweging (verbod op willekeur) bij de vervolgingsbeslissing. Dit blijkt onder meer uit de sepotbeslissing van officier van justitie Talsma van 15 februari 2018, naar aanleiding van de aangifte van verdachte. In die sepotbeslissing staat onder meer dat onduidelijk is door wie, op welke wijze, wanneer en waar de bewuste opname is gemaakt;
- schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk;
- schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat getuige [plv. districtschef] voor het verhoor bij de rechter-commissaris inzicht heeft gehad in de eerder door hem bij de politie afgelegde verklaring.
4.De bewijsoverwegingen
- verdachte heeft onder ede ten stelligste betwist dat zij de opname heeft gemaakt;
- de echtgenoot van verdachte heeft onder ede verklaard dat hij op de deurmat bij andere poststukken een envelop aantrof met daarin een cd met de geluidsopname van de caucus;
- er is geen onderzoek gedaan aan de envelop noch aan de opname waaruit blijkt dat verdachte de opname heeft gemaakt;
- de andere deelnemers aan het gesprek hebben niet gezien dat verdachte de opname heeft gemaakt;
- er is geen onderzoek gedaan naar de gespreksruimte of de tas van verdachte;
- niet is gebleken dat verdachte actief voor of tijdens het bewuste gesprek een mobiele telefoon of ander apparaat heeft aangezet en zich daardoor bewust is geweest van het maken van een opname;
- niet kan worden uitgesloten dat een deelnemer aan de caucus de opname heeft gemaakt, waardoor sprake is van het ontbreken van de wederrechtelijkheid.