ECLI:NL:RBOVE:2018:2748
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over werkgeverschap vennoten vennootschap onder firma bij arbeidsovereenkomst
De rechtbank Overijssel behandelt twee zaken waarin het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de bewindvoerder van schuldsaneringsregelingen van vennoten van een vennootschap onder firma (vof) tegenover elkaar staan. Centraal staat de vraag of de vennoten van de vof van rechtswege en ieder afzonderlijk als werkgever gelden indien de vof een arbeidsovereenkomst sluit met een werknemer.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. De bewindvoerder heeft vragen geherformuleerd die onder meer zien op de rechtspositie van de vennoten als werkgevers, de zelfstandige positie van de vof als werkgever, en de gevolgen voor preferente en boedelvorderingen in faillissement en schuldsanering.
UWV stelt dat alleen de vennoten als werkgevers gelden en niet de vof als zelfstandig rechtssubject, terwijl de bewindvoerder ook de vof als werkgever wil laten erkennen. De rechtbank formuleert vijf prejudiciële vragen aan de Hoge Raad die onder meer vragen of vennoten ieder afzonderlijk als werkgever gelden, of de vof ook als werkgever kan gelden, en wat de gevolgen zijn voor preferente vorderingen bij faillissement en schuldsanering.
De rechtbank houdt verdere beslissing aan en draagt op om het vonnis en het tussenvonnis aan de Hoge Raad te zenden. Het vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en op 20 juni 2018 in Almelo uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissing aan.