Eiseres exploiteert een inlandterminal in Hengelo waar een binnenvaartschip meerdere keren in 2017 de haven bezocht. Verweerder legde op grond van de Verordening Havengelden 2017 een aanslag op havengeld gebaseerd op een waterverplaatsing van 2.234 m3 bij een diepgang van 2,80 meter, resulterend in een aanslag van €7.439,22 exclusief BTW.
Eiseres maakte bezwaar omdat het schip met een ontheffing van Rijkswaterstaat slechts met een maximale diepgang van 2,20 meter op de Twentekanalen mag varen, wat een waterverplaatsing van 1.529 m3 betekent. Zij betoogde dat de aanslag op basis hiervan berekend moest worden, wat neerkomt op €5.091,57 exclusief BTW.
De rechtbank oordeelde dat de verordening Havengelden 2017 de feitelijke waterverplaatsing als grondslag voor de heffing hanteert, waarbij de meetbriefwaarden per diepgang relevant zijn. De aanslag moet dus gebaseerd zijn op de waterverplaatsing bij de toegestane maximale diepgang van 2,20 meter. Argumenten van verweerder over motorvermogen en extra kosten werden verworpen omdat deze niet in de verordening zijn opgenomen.
De uitspraak op bezwaar werd vernietigd en de aanslag aangepast naar €5.091,57 exclusief BTW. Verweerder werd tevens veroordeeld het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.