ECLI:NL:RBOVE:2018:4127
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak
De officier van justitie vorderde dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en de verdachte verplicht tot betaling aan de Staat van €69.343,48. Tijdens de procedure werd dit bedrag gewijzigd naar €60.000. De verdachte werd bijgestaan door haar raadsman en heeft zich primair op vrijspraak beroepen, waardoor de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Subsidiair werd betoogd dat het niet aannemelijk is dat de verdachte voordeel heeft genoten.
De rechtbank behandelde de vordering op de terechtzittingen van 4 juli 2017 en 18 oktober 2018. Op 1 november 2018 is de verdachte vrijgesproken van het feit waarop de ontnemingsvordering was gebaseerd. Gezien deze vrijspraak verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Overijssel te Zwolle, waarbij mr. S.H. Peper voorzitter was, met mr. M. Melaard en mr. P.M. Breukink als rechters. Het vonnis werd in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens vrijspraak van de verdachte.