ECLI:NL:RBOVE:2018:4836

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
18 december 2018
Zaaknummer
08/000081-04
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 420bis SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen wegens afdoening via aanslagen en boetes

De officier van justitie vorderde aanvankelijk dat de veroordeelde een bedrag van €588.342 aan wederrechtelijk verkregen voordeel zou betalen, later aangepast naar €470.562 met een betalingsverplichting van €460.000. De veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen, maar vrijgesproken van drugshandel. Hij betwistte dat het geld afkomstig was uit strafbare feiten anders dan witwassen en stelde dat hij al had afgerekend met de fiscus door betaling van aanslagen en boetes.

De rechtbank nam de arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Hoge Raad als uitgangspunt. Het hof had bewezen verklaard dat de veroordeelde tussen 2003 en 2004 ongeveer €470.562 had witgewassen, maar vrijgesproken van drugshandel. Het ontnemingsrapport baseerde het voordeel op handel in softdrugs, maar de rechtbank vond onvoldoende aanwijzingen dat het geld uit strafbare feiten na 2003 afkomstig was.

De rechtbank oordeelde dat het voordeel ruimschoots was afgeroomd door belastingaanslagen en boetes van ruim €700.000 over de jaren 2000 tot en met 2002, die ook waren betaald. Gezien deze feiten stelde de rechtbank de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €470.562, maar legde geen betalingsverplichting op. De vordering werd afgewezen.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e en 420bis Sr zoals die golden bij aanvang van de procedure. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 18 december 2018.

Uitkomst: De rechtbank wijst de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af omdat dit bedrag ruimschoots is afgeroomd via aanslagen en boetes.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08/000081-04
Datum vonnis: 18 december 2018
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1958 in [geboorteplaats] ,
wonende in [woonplaats] .

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij de oorspronkelijke vordering van 23 mei 2006 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 588.342,--.

2.De procedure

De vordering is meermalen ter openbare terechtzitting behandeld, voor het eerst op de terechtzitting van 3 november 2006.
Na de zitting van 12 april 2018 heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden. De officier van justitie heeft een "conclusie van eis" met een aantal bijlagen ingediend, waarop de raadsman van de veroordeelde heeft gereageerd bij mailbericht van 12 juli 2018. Ter terechtzitting van 20 november 2018 hebben de officier van justitie mr. M. Haan alsmede de veroordeelde en zijn raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat te Enschede hun standpunten toegelicht.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en het Eindrapport SFO/Ontnemingsrapport inzake [verdachte] van 11 januari 2005 (verder ook: "het ontnemingsrapport) met de daarbij gevoegde bijlagen.

3.De standpunten

Ter zitting van 20 november 2018 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 470.562,--. De officier van justitie heeft gevorderd de betalingsverplichting vast te stellen op een bedrag van € 460.000,--.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De ontnemingsvordering – die er volgens de toenmalige officier van justitie op zag dat de witgewassen gelden afkomstig zijn uit de handel in softdrugs – is destijds gelijktijdig met de hoofdzaak aangebracht.
Uiteindelijk is de veroordeelde bij het hierna vermelde arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vrijgesproken van de “drugsfeiten” en veroordeeld wegens witwassen. De veroordeelde heeft echter geen € 470.000,-- verdiend met witwassen en hij bestrijdt uitdrukkelijk dat hij andere strafbare feiten heeft gepleegd waar het geld van afkomstig is.
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de veroordeelde hooguit een kwart van dat bedrag als voordeel heeft genoten door het ontduiken van de belasting. Door het alsnog betalen van de belasting en de vergrijpboetes heeft de veroordeelde al lang en breed afgerekend met de fiscus. Het is daarom volstrekt onrechtvaardig als de veroordeelde nu alsnog € 460.000,-- zou moeten betalen als wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.Het oordeel van de rechtbank

De veroordeelde is bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (verder ook: het Hof) van 2 november 2015 wegens ‘medeplegen van witwassen’ (artikel 420bis Sr), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Die veroordeling is door de Hoge Raad bij arrest van 27 juni 2017 alleen ten aanzien van de vastgestelde proeftijd van drie jaren vernietigd en voor het overige in stand gelaten.
Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja hoeveel wederrechtelijk voordeel veroordeelde heeft verkregen neemt de rechtbank de beide hiervoor genoemde arresten als uitgangspunt.
De bewezenverklaring in het arrest van het Hof, in stand gelaten door de Hoge Raad, behelst kort weergegeven (1 primair):
dat de veroordeelde samen met een ander in de periode van 1 januari 2003 tot en met 17 november 2004 van een bedrag van ongeveer € 470.562,-- de herkomst heeft verhuld en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij wist dat dat geld onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit misdrijf.
Bij dat arrest is veroordeelde vrijgesproken van de eveneens tenlastegelegde overtredingen van artikel 3 van Pro de Opiumwet gepleegd in de periode van 1 januari 2003 tot en met 17 november 2004.
In het ontnemingsrapport waarop de inleidende vordering is gebaseerd, wordt het voordeel dat veroordeelde heeft behaald vermoedelijk door handel in softdrugs in de periode van 1 januari 2003 tot en met 17 november 2004 becijferd op het witgewassen bedrag van
€ 470.562,40.
Veroordeelde is evenwel vrijgesproken van, kort gezegd, strafbare handel in softdrugs in die periode, terwijl noch het ontnemingsrapport noch het SFO aanwijzingen bevat dat veroordeelde dat bedrag als voordeel heeft behaald uit soortgelijke feiten als witwassen
dan wel uit onbekend gebleven strafbare feiten, anders dan overtreding van de Opiumwet, zodat slechts als aannemelijke mogelijkheid open blijft dat het geld afkomstig is van strafbare handel in softdrugs in de jaren voorafgaand aan 2003, zoals ook namens veroordeelde in de schriftelijke reactie op de "conclusie van eis" is gesteld.
Daarvan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat het verweer van veroordeelde dat het daarmee genoten voordeel ruimschoots is afgeroomd door middel van aanslagen en boetes, moet worden gehonoreerd.
Uit de stukken die door de officier van justitie bij conclusie van eis zijn overgelegd blijkt immers genoegzaam dat veroordeelde over de jaren 2000 tot en met 2002 van de fiscus aanslagen heeft ontvangen tot een bedrag van ruim € 700.000,-- wegens navorderingen en boetes. Niet bestreden is dat die aanslagen ook zijn betaald.

5.De conclusie

Nu ook overigens is voldaan aan de eisen van artikel 36e Sr (oud) en niet is gesteld dat er sprake is van aftrekbare kosten, stelt de rechtbank de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 470.562,-- en de verplichting tot betaling aan de staat op nihil.

6.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikel 36e en 420 bis Sr, zoals deze voorschriften golden toen de vordering aanhangig werd gemaakt.

7.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 470.562,--;
- stelt de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en
mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2018.