ECLI:NL:RBOVE:2018:4836
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen wegens afdoening via aanslagen en boetes
De officier van justitie vorderde aanvankelijk dat de veroordeelde een bedrag van €588.342 aan wederrechtelijk verkregen voordeel zou betalen, later aangepast naar €470.562 met een betalingsverplichting van €460.000. De veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen, maar vrijgesproken van drugshandel. Hij betwistte dat het geld afkomstig was uit strafbare feiten anders dan witwassen en stelde dat hij al had afgerekend met de fiscus door betaling van aanslagen en boetes.
De rechtbank nam de arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Hoge Raad als uitgangspunt. Het hof had bewezen verklaard dat de veroordeelde tussen 2003 en 2004 ongeveer €470.562 had witgewassen, maar vrijgesproken van drugshandel. Het ontnemingsrapport baseerde het voordeel op handel in softdrugs, maar de rechtbank vond onvoldoende aanwijzingen dat het geld uit strafbare feiten na 2003 afkomstig was.
De rechtbank oordeelde dat het voordeel ruimschoots was afgeroomd door belastingaanslagen en boetes van ruim €700.000 over de jaren 2000 tot en met 2002, die ook waren betaald. Gezien deze feiten stelde de rechtbank de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €470.562, maar legde geen betalingsverplichting op. De vordering werd afgewezen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e en 420bis Sr zoals die golden bij aanvang van de procedure. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 18 december 2018.
Uitkomst: De rechtbank wijst de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af omdat dit bedrag ruimschoots is afgeroomd via aanslagen en boetes.