Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[verzoeker] ,
Het procesverloop
De beoordeling
- Belastingdienst, € 7.287,- (2013), € 5.522,- (2015) en € 1.806,- (2015);
- Florius, € 109.339,68 (2015);
- Interbank, € 29.037,20 (2009).
Rechtbank Overijssel
Verzoekers, gehuwd in gemeenschap van goederen, hebben een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van circa €161.528,75. De schulden omvatten onder meer bedragen aan de Belastingdienst, Florius en Interbank.
Tijdens de zitting bevestigden verzoekers financiële problemen sinds 2008 en een gedwongen verkoop van hun woning in 2015, waarbij een restschuld ontstond. Tevens verklaarde verzoekster dat zij in 2015 een ontslagvergoeding van €25.000,- ontving, waarvan circa €20.000,- werd besteed aan de aanschaf van een Yurt met toebehoren, en de rest aan aflossing van leningen bij vrienden en kennissen.
De rechtbank oordeelt dat verzoekers niet te goeder trouw zijn geweest omdat zij de ontslagvergoeding niet volledig hebben aangewend voor schuldenaflossing, wat de schuldenlast aanzienlijk had kunnen verlagen. Een beroep op de hardheidsclausule is niet gedaan en zou naar het oordeel van de rechtbank niet tot toelating hebben geleid, aangezien de schulden niet voortvloeien uit verslavings- of psychische problematiek.
Gelet op deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro. De rechtbank benadrukt dat de aanschaf van de Yurt een weloverwogen keuze was om dichter bij de natuur te leven, wat het gebrek aan goede trouw versterkt.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.