ECLI:NL:RBOVE:2019:1230
Rechtbank Overijssel
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing geldvordering wegens ontbreken spoedeisend belang en onvoldoende vaststelling vordering
Partijen hadden een affectieve relatie en samenwoning van 2002 tot begin 2016, met een schriftelijke samenlevingsovereenkomst uit 2009. Zij kochten gezamenlijk een woning in 2010, waarbij hypotheken werden afgesloten. Na beëindiging van de relatie vordert eiser terugbetaling van ruim € 370.000 aan aflossingen en € 55.110 aan maandelijkse betalingen aan gedaagde.
Eiser stelt dat deze betalingen onterecht zijn gedaan en dat gedaagde daardoor financieel is bevoordeeld. Gedaagde betwist de vorderingen, wijst op een afstandsverklaring van eiser en stelt dat de maandelijkse betalingen schenkingen waren. De rechtbank oordeelt dat de omvang van de vorderingen onvoldoende vaststaat, mede door betwisting en onduidelijkheid over wie betalingen heeft verricht.
Daarnaast ontbreekt een spoedeisend belang omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat onmiddellijke voorziening noodzakelijk is. Risico’s op waardedaling of verminderde verhaalsmogelijkheden zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank compenseert de proceskosten en wijst de vorderingen af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de geldvordering van eiser af wegens onvoldoende vaststelling en ontbreken van spoedeisend belang.