In de strafzaak tegen verzoeker vond op 12 maart 2019 een zitting plaats waarbij camerabeelden werden getoond en besproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel. Verzoeker diende tijdens deze zitting een mondeling wrakingsverzoek in tegen de rechters, stellende dat de rechtbank vooringenomen zou zijn, met name vanwege de inhoud en bewoordingen in het proces-verbaal over de waarnemingen van de camerabeelden.
De meervoudige kamer voerde aan dat de beschrijving van de beelden een feitelijke weergave betrof van wat zij hadden gezien, zonder vooringenomenheid, en dat de gebruikte termen zoals 'duwen' of 'met enige kracht' een nauwkeurige beschrijving waren van de waarnemingen. De officier van justitie onderschreef dit standpunt en stelde dat geen sprake was van vooringenomenheid.
De wrakingskamer oordeelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen concrete feiten en omstandigheden een objectieve vrees voor partijdigheid kunnen rechtvaardigen. De beschrijving van de camerabeelden door de rechters viel binnen hun eigen waarneming en was niet zodanig gekleurd dat dit duidde op vooringenomenheid. Het feit dat verzoeker het gevoel had dat het oordeel al vaststond, was onvoldoende om het wrakingsverzoek te honoreren.
De wrakingskamer concludeerde dat geen zwaarwegende aanwijzingen bestonden die de vrees voor partijdigheid objectief konden rechtvaardigen en wees het wrakingsverzoek af. Tegen deze beslissing stond geen rechtsmiddel open.