In deze civiele zaak voor de rechtbank Overijssel staat een geschil centraal over een geldleningsovereenkomst en een beweerdelijke schenking binnen de nalatenschappen van twee overledenen. De vereffenaar van de nalatenschappen vordert betaling van een bedrag van € 376.000 van de gedaagde, die deze betaling niet heeft voldaan ondanks een eerder getroffen schikking.
De procedure kende een tussenvonnis waarin de rechtbank bepaalde dat stukken met betrekking tot de schenking moesten worden gedeponeerd. Partijen kwamen tijdens een comparitie tot een schikking waarbij de gedaagde uiterlijk 28 maart 2019 het bedrag van € 376.000 aan de vereffenaar zou betalen, waarna wederzijdse vorderingen zouden worden ingetrokken en afstand gedaan van de schenking.
De gedaagde heeft het overeengekomen bedrag niet betaald, waardoor de vereffenaar de procedure voortzet en stelt dat de schenking onder misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen en vernietigd dient te worden. De rechtbank beveelt een nieuwe comparitie om standpunten te vernemen en een minnelijke regeling te beproeven. Verdere beslissingen worden aangehouden.