Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
.De rechtbank acht het opzet van de ondernemingen ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op de feitelijke gang van zaken binnen de ondernemingen en het gevoerde beleid door de (feitelijke) directie zoals hiervoor beschreven. De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , door zich bewust te lenen voor het louter op papier op zich nemen van het bestuurderschap van voornoemde ondernemingen teneinde verschillende vormen van bedrieglijke bankbreuk zoals hierboven omschreven mogelijk te maken, wetende dat zijn rol een lege huls zou behelzen, opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven aan de gedragingen van de ondernemingen zoals ten laste gelegd onder 2, 4, 5, 6, 8 en 10. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte in al zijn vooropgezette passiviteit wel degelijk kan worden verweten niet te hebben gehandeld, terwijl hij naar de buitenwereld toe alle bestuurdersverantwoordelijkheid op zich nam. Hij heeft hiermee een essentiële rol vervuld in de gezamenlijke opzet met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om faillissementsfraude te plegen c.q. mogelijk te maken.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelden
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
21 (eenentwintig) maanden;
5 (vijf) jarenvan het recht om bestuurder te zijn van een rechtspersoon
wordt ontzet;
openbaarmaking van dit vonnisna het onherroepelijk worden daarvan, met vermelding van de personalia van verdachte,
door toezendingervan aan de Kamer van Koophandel ten behoeve van de effectuering van voornoemde ontzetting;
W.M. Limberger, (feit 4): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
J.M. Sprangers, (feit 6): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
A. Grollé, (feit 10): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.