ECLI:NL:RBOVE:2019:2888

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 augustus 2019
Publicatiedatum
14 augustus 2019
Zaaknummer
ak_19_1425
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen handhavingsbesluit opslag windmolenonderdelen en verbouwing bedrijfswoning

Verzoeker heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente verzocht handhavend op te treden tegen de opslag van windmolenonderdelen en het verbouwen van een bijgebouw tot bedrijfswoning op een perceel. Het college wees dit verzoek op 31 juli 2019 af, waarna verzoeker bezwaar maakte en een voorlopige voorziening vroeg bij de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter overwoog dat het bestemmingsplan de activiteiten niet toestaat en dat het college bevoegd is om handhavend op te treden. Echter is er een ontwerpbestemmingsplan in procedure dat deze activiteiten mogelijk zou maken, waardoor het college afziet van handhaving. Verzoeker betwist dat er concreet zicht is op legalisatie en stelt dat de opslag nadelig is voor zijn bedrijfsvoering en leefomgeving.

De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker zijn bedrijfsactiviteiten op het perceel heeft gestaakt vanwege opzegging van de huurovereenkomst en dat de verbouwing van de woning sinds oktober 2018 stil ligt. Ook is er geen aantoonbare onaanvaardbare hinder of spoedeisend belang, mede omdat het zicht op de opslag beperkt is en milieugevaar niet is onderbouwd.

Gelet op het ontbreken van een spoedeisend belang is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het handhavingsbesluit is afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/1425
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in
de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,
en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, verweerder,

gemachtigde: B.J.M. Rouweler.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te [woonplaats].

Procesverloop

Verzoeker heeft op 5 juli 2019 aan verweerder gevraagd om handhavend op te treden
tegen de opslag van windmolenonderdelen en het verbouwen van een bijgebouw tot bedrijfswoning op het perceel [adres] te [woonplaats].
Bij besluit van 31 juli 2019 heeft verweerder dat verzoek afgewezen.
Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en J.H.J. Ottenschot. Derde-partij is verschenen
met [naam].

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1
Tussen partijen is niet in geschil dat het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente” uit 2014 de opslag van windmolenonderdelen en een bedrijfswoning ten behoeve van die activiteiten op het perceel [adres] te [woonplaats] niet toestaat. Verweerder is dan ook bevoegd om daartegen handhavend op te treden.
2.2
Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat er in dit geval aanleiding is om
af te zien van handhavend optreden, omdat er concreet zicht bestaat op legalisatie van de overtredingen, aangezien een ontwerpbestemmingsplan (“Buitengebied Hof van Twente, herziening [adres] [woonplaats]”) ter inzage heeft gelegen dat de genoemde activiteiten op het perceel toestaat.
2.3
Verzoeker is het niet mee eens met verweerder. Hij verwacht dat de gemeenteraad
geen medewerking zal geven aan het ontwerpbestemmingsplan. Verzoeker is daarom van mening dat een concreet zicht op legalisatie ontbreekt en dat er geen aanleiding bestaat
om nog langer te wachten met handhavend optreden, omdat de opslag van de windmolen-onderdelen nadelig is voor zijn bedrijfsvoering en zijn woon- en leefomgeving.
3.1
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
3.2
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan,
indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan
een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarvoor is vereist dat sprake
is van een zodanig urgente en tot onherstelbaar nadeel leidende situatie, dat het resultaat
van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet die situatie zich hier niet voor.
3.3
In augustus 2017 heeft [naam], hierna te noemen: [naam], het perceel [adres] te [woonplaats] gekocht. Hij wil het perceel gebruiken voor het repareren en demonteren van windmolens en de opslag van windmolen-onderdelen. Verder wil hij de bestaande woning op het perceel na verbouwing in gebruik nemen als bedrijfswoning.
3.4
Verzoeker heeft op het perceel [adres] jarenlang als huurder een bedrijf geëxploiteerd onder de naam Twentevis Visverkoop B.V. dat zich bezighoudt met het kweken van vis voor de verkoop.
3.5
Verzoeker heeft zijn bedrijfsactiviteiten met ingang van 1 augustus 2019 moeten staken, omdat [naam] de huurovereenkomst heeft opgezegd. Over deze opzegging loopt weliswaar nog een civiele procedure, maar op dit moment vinden er geen bedrijfsactiviteiten van verzoeker meer plaats op het perceel. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat verzoeker vanwege zijn bedrijfsactiviteiten een spoedeisend belang heeft bij het treffen
van een voorlopige voorziening.
3.6
Verder heeft [naam] op de zitting verklaard dat de verbouwing van de woning sinds oktober 2018 stil ligt in verband met de onduidelijkheid over de vraag of een bedrijfswoning op het perceel is toegestaan. Verweerders toezichthouder Ottenschot die het perceel op
17 juli 2019 en 31 juli 2019 heeft bezocht, heeft op de zitting bevestigd dat er op dit moment geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden aan de woning. Ook in zoverre heeft verzoeker daarom geen spoedeisend belang.
3.7
Verzoeker heeft vanaf zijn woonperceel weliswaar enig zicht op het gedeelte van het perceel [adres] waar de windmolenonderdelen opgeslagen liggen, maar dit zicht is mede door de haag rondom het perceel zodanig beperkt, dat op grond daarvan geen spoedeisend belang kan worden aangenomen. Niet is gebleken, dat de opslag van de windmolenonderdelen anderszins onaanvaardbare hinder oplevert voor verzoeker in de
vorm van geluid, stank e.d. De stelling van verzoeker op de zitting dat er gevaar bestaat
voor bodemverontreiniging in de directe omgeving door zware metalen afkomstig van
de windmolenonderdelen, is door hem niet met objectiveerbare gegevens onderbouwd en
kan daarom evenmin leiden tot het aannemen van een spoedeisend belang.
3.8
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake van een spoedeisend belang op grond waarvan verzoeker de beslissing op zijn bezwaar niet zou kunnen afwachten.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.