ECLI:NL:RBOVE:2019:3059

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2019
Publicatiedatum
28 augustus 2019
Zaaknummer
C/08/234328 / KG ZA 19-175
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen buren inzake verbouw, erfdienstbaarheid en ladderrecht

In deze zaak tussen buren over verbouw van een garage, erfdienstbaarheid en het uitoefenen van ladderrecht, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel op 17 juli 2019 uitspraak gedaan.

De eiser in conventie vorderde onder meer een bouwstop en maatregelen omtrent erfdienstbaarheid, maar deze vorderingen werden afgewezen omdat er geen concreet verbouw- of afbraakplan bestond, en de vermeende belemmeringen onvoldoende concreet waren. Ook het beroep op privacy werd door eiser ingetrokken. De vordering tot oplegging van een dwangsom werd eveneens afgewezen.

In reconventie werden de vorderingen over het ladderrecht afgewezen omdat niet aannemelijk was dat de eiser in conventie de uitoefening daarvan blokkeerde. Beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Alle vorderingen van beide partijen werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/234328 / KG ZA 19-175
Proces-verbaal van de zitting, gehouden op 17 juli 2019
in de zaak van

1.[A] ,

wonende te [woonplaats]
2.
[B],
wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
hierna te noemen, zowel gezamenlijk als afzonderlijk in mannelijk enkelvoud: [A] ,
advocaat mw. mr. J.Th. Waterman te Zwolle,
tegen

1.[X] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[Y],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna te noemen, zowel gezamenlijk als afzonderlijk in mannelijk enkelvoud: [X] ,
advocaat mr. R.H. Broeksema te Zwolle.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Tegenwoordig zijn mr. A.M. Koene, voorzieningenrechter, en mr. M.J. Daggenvoorde, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen:
  • [A] , bijgestaan door mr. Waterman voornoemd,
  • [X] , bijgestaan door mr. Broeksema voornoemd.
De mondelinge behandeling en de schorsing
Partijen lichten hun standpunten nader toe. Nadien volgt een schorsing om partijen gelegenheid te bieden in onderling overleg een nadere oplossing van hun geschillen te beproeven. De voorzieningenrechter kondigt aan dat zij tijdens de schorsing erover gaat nadenken of zij na de schorsing mondeling uitspraak kan doen als na de schorsing blijkt dat partijen geen minnelijke oplossing kunnen bereiken.
Na de schorsing
De voorzieningenrechter stelt vast dat het bereiken van een minnelijke oplossing niet tot de mogelijkheden behoort. De voorzieningenrechter deelt mede dat zij aanstonds een mondelinge uitspraak zal doen.
De mondelinge uitspraak
De gronden voor de beslissing
in conventie
De vordering sub III wordt afgewezen. [A] heeft geen belang bij deze vordering. Ter zitting is duidelijk geworden dat er geen afbraak- of verbouwplan bestaat met betrekking tot de garage. Sterker nog, Er is ter zitting door [X] verklaard voor de komende jaren geen verbouw- of afbraakplannen voor de garage te hebben.
Dan de vordering met betrekking tot de erfdienstbaarheid. Ook die vordering wordt afgewezen. In dagvaarding en overige processtukken ging het over een paal of palen. Ter zitting is duidelijk geworden dat die er niet komen, en anders alleen in de grond (poeren). Daaruit volgt onvoldoende een belemmering. Er komt mogelijk wel een hek. Dat maakt de beslissing niet anders omdat a) dat hek nog niet concreet aan de orde is, b) omdat [X] heeft verklaard dat ook met dat hek de doorgang 1,50 meter breed blijft, c) dat als er een slot op het hek komt [A] daarvan een sleutel krijgt en d) er een werkbare oplossing komt als [A] dat slot niet kan bedienen. [A] heeft daarom geen spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering sub II.
Ten aanzien van de bouwstop is aannemelijk dat de delen van de aanbouw die hinder veroorzaken met betrekking tot lichtinval en uitzicht, [A] heeft zijn beroep op privacy ter zitting laten varen, al zodanig klaar zijn dat die hinder door de bouw voort te zetten niet wordt vergoot. [A] heeft ook verklaard dat het hem niet zozeer is te doen om de bouwstop, maar om de afbraak van de aanbouw, omdat de aanbouw al zijn hoogste punt heeft bereikt.
Afbraak van de aanbouw gaat in dit kort geding te ver. Het zou onomkeerbare gevolgen hebben. Er liggen twee deskundigenberichten die van mening verschillen over de mate van hinder. Zonder nader onderzoek, waarvoor dit kort geding zich niet leent, kan niet worden vastgesteld of de hinder van zodanige aard is dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Dit betekent dat ook de vordering sub I zal worden afgewezen.
Als gevolg van het vorenstaande haalt ook de vordering IV het niet, waarbij het opleggen van een dwangsom is gevorderd.
Ook de zeer open geformuleerde vordering sub V zal worden afgewezen. Tegen de achtergrond van het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een alternatieve voorziening te treffen.
[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
in reconventie
De vorderingen zullen worden afgewezen. Het gaat om de uitoefening van het ladderrecht. Het is niet aannemelijk geworden dat [A] de uitoefening van dat recht blokkeert. Er is ter zitting zelfs toegezegd door [A] dat als [X] aankondigt wanneer hij van dat recht gebruik wil maken en wat er dan gaat gebeuren, [A] dan zijn medewerking zal verlenen. [A] heeft wel zorg over wat er dan verplaatst en mogelijk afgebroken gaat worden, maar [X] heeft toegezegd dat alles in oude staat zal worden hersteld op kosten van [X] . Uit het bovenstaande volgt dat [X] geen belang heeft bij toewijzing van de vorderingen in reconventie.
[X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [A] in de proceskosten en begroot de kosten aan de zijde van [X] tot op heden op:
- griffierecht € 297,00
- salaris advocaat -
980,00
totaal € 1.277,00;
veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;
in reconventie
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [X] in de proceskosten en begroot de kosten aan de zijde van [A] tot op heden bepaald op € 490,00 (factor 0,5 × tarief € 980,00)
in conventie en reconventie
verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan proces verbaal,
de griffier de voorzieningenrechter.