Op 27 juni 2017 werd een onderzoek ingesteld naar vier vreemdelingen die werkzaamheden verrichtten op een akker in Tubbergen. De Staatssecretaris legde aan eiseres een boete op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat zij als werkgever werd aangemerkt zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen.
Eiseres voerde aan dat de werkzaamheden vrijwillig en als vriendendienst waren verricht, zonder gezagsverhouding of loon, en dat zij daardoor niet als werkgever kon worden beschouwd. De rechtbank oordeelde echter dat het enkel mogelijk maken van arbeid en het niet verhinderen daarvan al kwalificeert als het laten verrichten van arbeid, waardoor eiseres als werkgever moest worden aangemerkt.
De boete werd aanvankelijk vastgesteld op €36.000, later verlaagd naar €24.000. De rechtbank vond deze boete echter onevenredig gezien de beperkte ernst, het incidentele karakter van de werkzaamheden, het ontbreken van economisch voordeel en de langdurige persoonlijke relatie tussen eiseres en de familie die de werkzaamheden verrichtte.
Daarom matigde de rechtbank de boete met 50% tot €12.000. Tevens werd het betaalde griffierecht vergoed en verweerder veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt dat de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de overtreding doorslaggevend zijn voor de hoogte van de boete.