AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging vergunning wijziging en uitbreiding varkenshouderij wegens niet voldoen passende beoordeling PAS
De rechtbank Overijssel heeft in de zaak tussen Stichting Leefbaar Buitengebied en het college van gedeputeerde staten van Overijssel geoordeeld over een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het wijzigen en uitbreiden van een varkenshouderij in Almelo.
Verweerder had de vergunning verleend met verwijzing naar de passende beoordeling die was opgesteld voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Eiseres stelde dat deze passende beoordeling niet voldeed aan artikel 6 vanPro de Habitatrichtlijn, hetgeen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd was in een eerdere uitspraak van 29 mei 2019.
De rechtbank concludeerde dat de vergunning niet op basis van deze passende beoordeling verleend had mogen worden en dat het bestreden besluit in strijd was met de Wnb. Het beroep werd daarom kennelijk gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
Verweerder moet een nieuw besluit nemen volgens de correcte procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd omdat de passende beoordeling van het PAS niet voldoet aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/244
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Stichting Leefbaar Buitengebied, gevestigd te Ulicoten, eiseres,
gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [naam] (hierna te noemen: belanghebbende) een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor het wijzigen en uitbreiden van een varkenshouderij aan de [adres 1] in Almelo.
Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend voor een veehouderij die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is.
De vergunning kan volgens verweerder worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is opgesteld. Met de toepassing en uitvoering van het PAS is volgens verweerder gewaarborgd dat de stikstofdepositie die de veehouderij zal veroorzaken niet zal leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
3. De strekking van het beroep van eiseres is – kort gezegd – dat de vergunning niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 vanPro de Habitatrichtlijn.
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 vanPro de Habitatrichtlijn voortvloeien.
5. Het voorgaande betekent dat verweerder de vergunning voor de veehouderij niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt.
Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 2.7, derde lid, en 2.8 van de Wnb. De overige beroepsgronden behoeven thans geen bespreking.
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019: 1603, kan verweerder voor het alsnog te nemen besluit op de aanvraag niet terugvallen op de eerder gevoerde procedure. Verweerder moet opnieuw toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Awb. De rechtbank wijst er in navolging van die uitspraak op dat verweerder ervan mag uitgaan dat de in artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de Awb genoemde termijnen de dag na verzending van deze uitspraak aanvangen. De beslistermijn die in artikel 5.1 van de Wnb is bepaald is in dit geval, waarin verweerder op grond van artikel 3:10 vanPro de Awb heeft besloten de vergunning voor te bereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, niet van toepassing.
8. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt vast dat de proceskosten van eiseres uitsluitend bestaan uit kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De hoogte van de proceskostenvergoeding stelt de rechtbank vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroep; waarde per punt: € 512,-; wegingsfactor 1).
Daarnaast dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar terug te betalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 12 december 2017, kenmerk [kenmerk];
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 512,-;
gelast verweerder het betaalde griffierecht van € 338,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.