ECLI:NL:RBOVE:2019:495
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering Nederlanderschap wegens veroordeling voor dodelijk verkeersongeval
Eiser, afkomstig uit Somalië en sinds 2001 in Nederland, verzocht op 1 september 2016 om verlening van het Nederlanderschap. Dit verzoek werd afgewezen door verweerder op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat eiser bij vonnis van 22 november 2017 was veroordeeld wegens overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ander dodelijk werd getroffen.
Eiser voerde aan dat het om een ongeluk ging zonder opzet en dat het beleid daarom niet van toepassing zou zijn. De rechtbank overwoog echter dat het vonnis duidelijk sprak van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden, wat schuld in de zin van de Wegenverkeerswet impliceert. Het beleid van verweerder, neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, stelt dat een ernstig vermoeden van gevaar voor de openbare orde bestaat bij een recente veroordeling voor een misdrijf.
Hoewel eiser stelde dat hij verkeerd was voorgelicht bij een eerdere aanvraag en dat hij daardoor het Nederlanderschap mogelijk eerder had kunnen verkrijgen, achtte de rechtbank dit niet relevant voor de beoordeling van het huidige verzoek. Verweerder had de individuele omstandigheden betrokken, maar het beroep bleef ongegrond omdat het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde bleef bestaan. De uitspraak werd gedaan door rechter Cornelissen en griffier Landstra op 13 februari 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het Nederlanderschap wordt ongegrond verklaard vanwege een onherroepelijke veroordeling en het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde.