ECLI:NL:RBOVE:2019:4954

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 september 2019
Publicatiedatum
21 januari 2020
Zaaknummer
7883287 \ CV EXPL 19-2314
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.J.S. Groeneveld – Koekkoek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 Wck (oud)Artikel 5 Productvoorwaarden ABN AMRO Flexibel Krediet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens ontbreken rechtsgeldige ingebrekestelling bij kredietovereenkomst

In deze zaak vordert ABN Amro betaling van een kredietbedrag van de gedaagde. De kern van het geschil betreft de vraag of ABN Amro een rechtsgeldige ingebrekestelling heeft verstuurd voorafgaand aan de opeising van het gehele kredietbedrag.

De rechtbank stelt vast dat de brief van 26 november 2018 niet voldoet aan de vereisten van een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 33 Wck Pro (oud). De brief maant niet aan tot betaling van de achterstand, maar tot betaling van het gehele kredietbedrag, waardoor niet is voldaan aan de voorwaarde dat een redelijke termijn wordt gesteld om verzuim en opeising te voorkomen.

Gelet hierop is het krediet niet rechtsgeldig opgeëist en blijft de kredietovereenkomst onder dezelfde voorwaarden doorlopen. De vordering van ABN Amro wordt daarom afgewezen. ABN Amro wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl de kosten aan de zijde van gedaagde nihil worden begroot.

Uitkomst: De vordering van ABN Amro wordt afgewezen wegens het ontbreken van een rechtsgeldige ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 7883287 \ CV EXPL 19-2314
Vonnis van 24 september 2019
in de zaak van
de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij, hierna te noemen ABN Amro,
gemachtigde: Flanderijn en Van Eck,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Ten slotte is vonnis bepaald.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 juli 2019
- de akte na tussenvonnis tevens houdende vermindering van eis van ABN Amro.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.
2.2.
Bij tussenvonnis van 23 juli 2019 heeft de kantonrechter ABN Amro zich uit te laten over de vraag of de aanmaning van 26 november 2018 ziet op de verplichte ingebrekestelling of de opeisingsbrief, omdat daarin enerzijds de achterstand wordt genoemd en anderzijds wordt aangemaand tot betaling van het gehele kredietbedrag. Verder is ABN Amro in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag in welk artikel van de algemene voorwaarden de vertragingsvergoeding is overeengekomen.
2.3.
Bij akte heeft ABN Amro gesteld dat zij de brief van 26 november 2018 is te kenmerken als de verplichte ingebrekestelling. Verder heeft zij haar vordering verminderd met de vertragingsvergoeding, omdat de vertragingsvergoeding nooit is overeengekomen. In plaats daarvan heeft ABN Amro de wettelijke rente na opeising gevorderd.
2.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 33 aanhef Pro en onder c sub 1 Wck (oud) kan het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde enkel rechtsgeldig worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen. De kantonrechter stelt vast dat partijen in artikel 5 aanhef Pro en sub a van de Productvoorwaarden ABN AMRO Flexibel Krediet, die volgens de schriftelijke kredietovereenkomst mede op de overeenkomst van toepassing zijn, een opeisingsbeding zijn overeengekomen dat voldoet aan deze wettelijke bepaling.
2.5.
De vraag, die de kantonrechter ambtshalve dient te beantwoorden, is of voorafgaand aan de algehele opeising van het krediet door ABN Amro een rechtsgeldige ingebrekestelling is uitgebracht. De voor een rechtsgeldige opeising vereiste ingebrekestelling behelst een schriftelijke aanmaning waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld met een expliciete vermelding dat alleen met betaling van een duidelijk aangegeven bedrag binnen die termijn verzuim en algehele opeising kan worden voorkomen. Die schriftelijke aanmaning moet betrekking hebben op een betalingsachterstand van ten minste twee maanden van een vervallen termijnbedrag. De kantonrechter is van oordeel dat de brief van 26 november 2018 niet een rechtsgeldige ingebrekestelling is. Hierin wordt [gedaagde] namelijk aangemaand voor het gehele kredietbedrag en pas bij betaling van dit gehele bedrag kan worden voorkomen dat het krediet vervroegd wordt opgezegd en dus niet bij betaling van de achterstand. Dit brengt met zich dat niet is gebleken dat het saldo rechtsgeldig is opgeëist. Dit betekent dat de kredietovereenkomst onder dezelfde voorwaarden nog steeds doorloopt, maar dat de grondslag van de onderhavige vordering komt te vervallen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
2.6.
ABN Amro zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt ABN Amro tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld – Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019. (SK)