Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
In deze zaak vordert ABN Amro betaling van een kredietbedrag van de gedaagde. De kern van het geschil betreft de vraag of ABN Amro een rechtsgeldige ingebrekestelling heeft verstuurd voorafgaand aan de opeising van het gehele kredietbedrag.
De rechtbank stelt vast dat de brief van 26 november 2018 niet voldoet aan de vereisten van een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 33 Wck Pro (oud). De brief maant niet aan tot betaling van de achterstand, maar tot betaling van het gehele kredietbedrag, waardoor niet is voldaan aan de voorwaarde dat een redelijke termijn wordt gesteld om verzuim en opeising te voorkomen.
Gelet hierop is het krediet niet rechtsgeldig opgeëist en blijft de kredietovereenkomst onder dezelfde voorwaarden doorlopen. De vordering van ABN Amro wordt daarom afgewezen. ABN Amro wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl de kosten aan de zijde van gedaagde nihil worden begroot.
Uitkomst: De vordering van ABN Amro wordt afgewezen wegens het ontbreken van een rechtsgeldige ingebrekestelling.