Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2019:5053

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 november 2019
Publicatiedatum
17 maart 2020
Zaaknummer
238277 / FT-RK 19/843
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens redelijke betalingsregeling

Verzoekster, een 48-jarige gescheiden vrouw met een Participatiewet-uitkering van €978,90 per maand, heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Haar schuld bij één schuldeiser, Hoist Finance, bedraagt €24.473,62. De schuld is deels ontstaan door haar ex-partner en de restschuld van de hypotheek is voldaan via de Nationale Hypotheek Garantie.

De schuldeiser heeft een tegenvoorstel gedaan voor een betalingsregeling van €75 per maand gedurende 72 maanden, wat redelijk en haalbaar blijkt binnen het budget van verzoekster. De beschermingsbewindvoerder bevestigt dat er financiële ruimte is om deze regeling te dragen.

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 288 lid 1 sub a Faillissementswet Pro onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Daarom wordt het verzoek tot toelating van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

De uitspraak is gedaan na behandeling ter terechtzitting op 11 november 2019 en schriftelijke correspondentie van de beschermingsbewindvoerder.

De beslissing is uitgesproken op 18 november 2019 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel te Zwolle.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens een redelijke en haalbare betalingsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: 238277 / FT-RK 19/843
datum vonnis: 18 november 2019
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,
verzoekster,
verder te noemen: [verzoekster] .

Het procesverloop

[verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 11 november 2019. Ter zitting is [verzoekster] met haar beschermingsbewindvoerder, mevrouw [A] , en haar maatschappelijk hulpverlener, mevrouw [B] , verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Op 14 november 2019 is ter griffie een brief met bijlagen van de beschermingsbewindvoerder ontvangen.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten
[verzoekster] is een gescheiden vrouw van 48 jaar. [verzoekster] ontvangt een Participatiewet-uitkering van € 978,90 per maand.
De schuldenlast van [verzoekster] omvat één schuldeiser, Hoist Finance, en bedraagt € 24.473,62.
De toelichting van [verzoekster]
heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan Hoist is ontstaan door haar ex-partner. Na de scheiding is de woning verkocht. De restschuld van de hypotheek is voldaan door de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Deze betaling wordt geregistreerd op de BKR, maar is geen openstaande schuld. Het tegenvoorstel van [C] , behandelend deurwaarder namens Hoist, is [verzoekster] en de beschermingsbewindvoerder niet bekend.
De overwegingen van de rechtbank
Uit de bijlagen van het verzoekschrift is gebleken dat de enige schuldeiser een tegenvoorstel tegen finale kwijting heeft gedaan van € 75,- per maand voor een periode van 72 maanden.
De beschermingsbewindvoerder heeft de schuldeiser aangeschreven of deze betalingsregeling nog mogelijk is. Uit de brief van 14 november 2019 is gebleken dat de schuldeiser nog steeds akkoord gaat met het tegenvoorstel.
Uit het budgetplan van de beschermingsbewindvoerder blijkt dat er € 86,88 ruimte in het financiële budget van [verzoekster] is. De rechtbank is, in tegenstelling tot hetgeen de beschermingsbewindvoerder heeft bericht, van oordeel dat het tegenvoorstel van Hoist redelijk is. De volledige schuld is binnen afzienbare tijd afgelost en de aflossing past in het budget.
Uit artikel 288 lid 1 sub a Fw Pro volgt, dat indien onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekster] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden, het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen. Nu uit het dossier is gebleken dat Hoist een redelijke betalingsregeling, waarmee de schuld binnen een afzienbare tijd is afgelost, tegen finale kwijting wil treffen is de rechtbank van oordeel dat thans onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekster] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden.
Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 sub a Faillissementswet Pro (Fw.).

De beslissing:

de rechtbank:
wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. M.C. Bosch, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.