Uitspraak
Datum beschikking: 19 november 2019
Rechtbank Overijssel
Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en een dwangakkoord. Tijdens de procedure vroegen zij om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro om beslagleggingen door de Belastingdienst op hun vorderingen bij derden op te schorten en nieuwe beslagen te verbieden.
De rechtbank overwoog dat een voorlopige voorziening mogelijk is zolang het verzoek dwangakkoord in behandeling is, maar dat hiervoor een spoedeisend belang vereist is. Verzoekers konden niet aantonen dat het beslag de uitvoering van het dwangakkoord zou belemmeren. Daarnaast weegt het belang van de Belastingdienst zwaarder gezien de omvang van de vordering.
Ook het verzoek om toekomstige beslagen te verbieden werd afgewezen omdat de wet zich verzet tegen voorlopige voorzieningen voor mogelijke toekomstige gebeurtenissen. Gezien de korte termijn tot behandeling van het dwangakkoord is het verzoek niet toewijsbaar.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening tot opschorting derdenbeslag en verbod op nieuwe beslagen wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.