Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[eiser 1] ,
1.[gedaagde 1] ,
1.De procedure
- het exploot van dagvaarding van 26 februari 2020 met producties;
- de van de zijde van [eiser 1] c.s. overgelegde aanvullende producties, ter griffie ontvangen op 6 maart 2020;
- de van de zijde van [gedaagde 1] c.s. overgelegde producties, ter griffie ontvangen op 6 maart 2020;
- de van de zijde van [eiser 1] c.s. overgelegde aanvullende productie, ter griffie ontvangen op 9 maart 2020.
2.De feiten
4.De beoordeling
nieteen voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid, nu voor de uitoefening van het recht van overpad naar de aard ervan steeds een menselijke handeling nodig is (vgl. artikel 724 BW Pro (oud)). Dit brengt mee dat de verjaringstermijn eerst kan zijn gaan lopen op 1 januari 1992 (artikel 95 Overgangswet Pro Nieuw BW). Pas op die datum kan immers sprake zijn van het voor een geslaagd beroep op (verkrijgende of bevrijdende) verjaring vereiste bezit. De verjaringstermijn bij bezit te goeder trouw is tien jaar (artikel 3:99 BW Pro); bij bezit niet te goeder trouw bedraagt deze twintig jaar (artikel 3:306 BW Pro jo. artikel 3:314 lid 2 BW Pro jo. artikel 3:105 BW Pro).