Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
2.De feiten
(de rechtbank begrijpt: 1 oktober 2018)een lening ten bedrage van € 425.000,00 afgelost diende te worden. Aangezien ook u hierop geen verdere actie heeft ondernomen is er thans sprake van zodanige substantiële (financiële) problemen dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar is en een faillissement dreigt.”
Er is ten laste van privé gebracht inzake het privégebruik van vervoermiddelen uit de voorraad door [A] , op basis van de door de vennootschap gevoerde administratie, een bedrag van (…) totaal € 74.545,00 inclusief btw.”
Dit bedrag heeft betrekking op de periode 2013 tot en met 2017.
4.Het standpunt van [A]
5.Het standpunt van [B]
6.De beoordeling
Wanneer men, eveneens uitgaande van een ontbinding per 1 januari 2020, zou opteren voor een waardering per datum van feitelijke voorzetting, dus per oktober 2018, zou voor een dergelijke vrijwaring naar het oordeel van de rechtbank wel aanleiding kunnen bestaan. Hoewel [A] ook in dat geval nog aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap jegens derden, acht de rechtbank voorshands redelijk dat [A] in de onderlinge verhouding tot [B] alsdan wordt gevrijwaard voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die hun oorsprong vinden in de periode oktober 2018 tot 1 januari 2020.