De rechtbank Overijssel behandelde een zaak tegen een 35-jarige man die werd verdacht van poging tot verleiding van een minderjarige en schennis van de eerbaarheid. De verdachte zou een meisje van nog geen dertien jaar hebben gevraagd of zij hem wilde pijpen en zich in een trein zichtbaar voor anderen hebben gemasturbeerd.
Na onderzoek en meerdere zittingen oordeelde de rechtbank dat onvoldoende bewijs bestond voor de poging tot verleiding en feitelijke aanranding. De enkele vraag van verdachte werd niet gezien als een begin van uitvoering van het misdrijf, mede omdat het slachtoffer voldoende weerbaar was en er geen sprake was van misbruik van overwicht.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte zich op 23 april 2019 in een treincoupé heeft afgetrokken, waarmee hij de eerbaarheid heeft geschonden. Voor dit feit werd verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van voorarrest. De vordering tot schadevergoeding door de benadeelde werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank wees ook een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af, gelet op de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis. Het vonnis werd gewezen door mr. F.C. Berg, mr. G.J. Stoové en mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en op 14 januari 2020 openbaar uitgesproken.