Eiser, werkzaam bij de Belastingdienst en langdurig gedeeltelijk arbeidsongeschikt, maakte bezwaar tegen de hoogte van zijn bezoldiging tijdens vakantieverlof in 2017. De bezoldiging werd conform het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) gedeeltelijk doorbetaald, namelijk 70% over arbeidsongeschikte uren en 100% over arbeidsgeschikte uren. Eiser betwistte dit en stelde dat hij recht heeft op volledige bezoldiging tijdens vakantie, ook over arbeidsongeschikte uren.
De rechtbank overwoog dat volgens het ARAR en het BBRA 1984 de bezoldiging tijdens ziekte lager kan zijn dan de volledige bezoldiging, en dat de EU-Richtlijn 2003/88 en het arrest Schultz-Stringer waarborgen dat werknemers jaarlijks vakantie met behoud van loon kunnen opnemen, maar niet expliciet voorschrijven dat loon tijdens vakantie gelijk moet zijn aan loon bij volledige arbeidsgeschiktheid.
Gezien het ontbreken van Europese jurisprudentie over de precieze uitleg van het loonbehoud tijdens vakantie bij arbeidsongeschiktheid, stelde de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank hield verdere beslissing aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak.