Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
mr. C.P. Dronkers en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
Op zondag 28 oktober 2018, omstreeks 18:06 uur, ontving ik via whatsapp vanaf telefoonnummer [telefoonnummer] een bericht met daarin de volgende tekst: Hoi [slachtoffer 4] ik ben overgestapt van provider bij deze is dus het nummer gewijzigd hierbij stonden twee emoji's duimpje en kusje. Hierna meteen nog een appje met daarin het oude kan weg. Ik zag als profilefoto de foto van mijn stiefmoeder genaamd [naam 4] . De naam stond er niet bij maar wel haar profilefoto. (..) Ik kreeg een verzoek of ik wegens een storing twee rekeningen wilde betalen. Ik zou deze de volgende dag terug krijgen. (..) Ik heb op zondag 28 oktober 2018 omstreeks 18:30 uur twee bedragen overgemaakt (..) naar: Naam: [verdachte] Ibannummer [rekeningnummer] ’. Later heeft [slachtoffer 4] haar stiefmoeder gebeld, die wist van niets.
lak voordat het geld werd overgemaakt’, dat [medeverdachte] bezig was met pasjes, dat daar een heel circuit achter en dat hij zich bezig hield met het ontvangen van ‘fout’ geld op bankrekeningen.
29 oktober 2018 ontvangen op de bankrekening van verdachte; het geld van [slachtoffer 3] (feit 3) ná de gelden van [slachtoffer 4] (feit 4). De rechtbank is van oordeel dat de feiten onder 3 en 4 primair niet bewezen kunnen worden verklaard, maar dat verdachte medeplichtig is geweest aan de oplichtingen. Met het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en bankpas aan [medeverdachte] heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn bankrekening gebruikt zou worden voor het plegen van oplichting. Verdachte wist op dat moment – naar eigen zeggen ‘
vlak voordat het geld werd overgemaakt’ – immers dat [medeverdachte] zich bezig hield met het ontvangen van “fout” geld op bankrekeningen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte opzet – in voorwaardelijke zin – had op de medeplichtigheid aan oplichting. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.
24 oktober 2018 heeft ontvangen. Wel op 28 juni 2018 (feit 1), 29 juni 2018 (feit 2) en op
29 oktober 2018 (feit 3 en feit 4), zo blijkt uit pagina 96 tot en met 98 van het proces-verbaal, maar dat valt naar het oordeel van de rechtbank niet meer onder ‘op of omstreeks 24 oktober 2018’.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
medeplichtigheid aan oplichting.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
medeplichtigheid aan oplichting;
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 (zestig) uren;
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur van
30 (dertig) dagen;
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
algemene voorwaardendat verdachte:
bijzondere voorwaardedat verdachte:
15 juni 2020, telefonisch zal melden bij Jeugdbescherming Overijssel, afdeling Jeugdreclassering, en zich vervolgens zal blijven melden zolang de Jeugdbescherming Overijssel dat noodzakelijk acht;