Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [plaats 1] ,
[bedrijf],
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] ,
Rechtbank Overijssel
Eiser stelde dat hij op 6 april 2019 zelfstandig vervoerswerkzaamheden voor gedaagde had verricht en vorderde betaling van de factuur. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het die dag ging om een opleidingsdag, waarvoor eiser kosten moest vergoeden.
De kantonrechter oordeelde dat eiser niet voldoende had onderbouwd dat er een overeenkomst was gesloten voor zelfstandige werkzaamheden op die dag. Gedaagde had gemotiveerd betwist dat sprake was van zelfstandige werkzaamheden en wees op het ontbreken van schriftelijke afspraken en benodigde vergunningen.
Ook de reconventionele vordering van gedaagde werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat eiser gehouden was de opleidingskosten te vergoeden. Beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten, maar deze werden op nihil begroot.
Het vonnis werd gewezen door kantonrechter M.A.M. Essed en op 23 juni 2020 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Beide vorderingen worden afgewezen en partijen worden veroordeeld in de proceskosten, die op nihil worden begroot.