De rechtbank Overijssel behandelde de zaak van verdachte die werd beschuldigd van verkrachting van zijn nicht op of omstreeks 14 februari 2019 in Almelo. Hoewel het vaststond dat verdachte en aangeefster seksueel contact hadden, kon niet worden vastgesteld dat dit onder dwang plaatsvond zoals omschreven in de tenlastelegging.
De rechtbank nam verklaringen van verdachte, aangeefster en getuigen in overweging. Aangeefster kon zich de precieze toedracht van de geslachtsgemeenschap niet herinneren en er werden geen letsels geconstateerd door de forensisch arts. De getuigenverklaring bood onvoldoende steun voor het bestaan van dwang. Ook een telefoongesprek tussen verdachte en aangeefster bood geen aanwijzingen voor dwang.
De officier van justitie stelde dat de verklaring van aangeefster en de getuigenverklaring voldoende bewijs vormden, maar de rechtbank vond dit niet overtuigend. Gezien het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van verkrachting.
De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De vordering kan alleen bij de burgerlijke rechter worden ingediend.
Het vonnis werd gewezen door mr. E.J.M. Bos, mr. A.M.G. Ellenbroek en mr. J. Mulder en op 20 augustus 2020 in het openbaar uitgesproken.