De rechtbank Overijssel heeft op 27 januari 2020 uitspraak gedaan in een ontbindingszaak waarbij de veroordeelde werd verplicht tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e Sr, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €414.066,39.
De veroordeelde was bestuurslid en penningmeester van een vereniging verbonden aan het Ministerie van Financiën en heeft tussen 2008 en 2013 geld van de verenigingsrekening naar zijn privérekening overgeboekt. Uit het dossier blijkt dat een groot deel van dit bedrag contant werd opgenomen en nauwelijks kosten voor de vereniging werden betaald vanuit de privérekening.
De rechtbank bevestigde dat dit bedrag het wederrechtelijk verkregen voordeel vormt en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op drie jaar. De vordering werd behandeld na eerdere veroordelingen wegens verduistering en het opzettelijk openbaar maken van onware financiële gegevens, bevestigd door het Hof Arnhem-Leeuwarden.