Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
- Feit 1: deelname aan een criminele organisatie;
- Feit 2 primair: diefstal van een grote hoeveelheid koper door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
- Feit 2 subsidiair: opzetheling;
- Feit 3 primair: diefstal een grote hoeveelheid koper door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
- Feit 3 subsidiair: poging tot diefstal van een grote hoeveelheid koper door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
- Feit 4 en feit 5 telkens: diefstal van een grote hoeveelheid (munt)geld door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
- Feit 6: diefstal een grote hoeveelheid messing door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
inklimming, en/of
3.De voorvragen
Dit samenwerkingsverband was gericht op het in heel Nederland plegen van diefstallen van metalen en van geld door middel van braak, verbreking en inklimming. De duurzaamheid van het samenwerkingsverband kan worden afgeleid uit de vaste kern van deelnemers en de langere duur van de pleegperiode. Alle handelingen zijn, mede gelet op hun vergaande onderlinge samenhang, als oogmerk van de organisatie aan te merken. De onderliggende feiten zijn alle binnen de structuur van de groep van deelnemers gepleegd en deze groep van deelnemers voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan alle kenmerken van een criminele organisatie.
De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het navolgende.
Bij het plegen van de feiten is het terrein/de camping aan [adres 7] te Amsterdam, waar verdachte en meerdere medeverdachten verbleven, veelal als startpunt gebruikt.
Bij het plegen van de feiten en daaraan voorafgaande is telkens sprake geweest van een soortgelijke modus operandi, onder meer inhoudende dat:
- door een of meerdere personen een voorverkenning werd uitgevoerd,
- de deelnemers aan de inbraak op de juiste locatie werden afgezet en weer werden opgehaald,
- voorafgaande en tijdens de inbraken veelvuldig telefonische contacten tussen de deelnemers plaatsvonden. Daaruit blijkt van een min of meer vaste taakverdeling voor wat betreft (onder meer) het geven van opdrachten voorafgaande aan en tijdens de inbraak, het feitelijk stelen van de metalen, het op de uitkijk staan en hoe er daarna werd teruggereden,
- voor het inladen en het vervoeren van de gestolen metalen gebruik werd gemaakt van witte puinzakken van [bouwmarkt] en van meerdere (grote) auto’s, met veelal een buitenlands kenteken of een export-kenteken,
- de auto’s met de gestolen metalen tijdelijk “koud” werden gezet en dat de gestolen metalen
daarna de volgende dag bij [sloperij] in Haarlem werden ingeleverd,
- bij controle en/of aanhouding door de politie een van te voren afgestemd verhaal werd verteld,
- er sprake is geweest van afscherming van telefoongebruik door het wisselen van telefoonnummers en gebruikmaking van meerdere telefoons.
De rechtbank acht het in dit verband ook redengevend dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat naast de grote hoeveelheid metalen, die kunnen worden herleid tot de onderliggende feiten, nog aanzienlijke hoeveelheden andere metalen zijn ingeleverd bij [sloperij] in Haarlem en [bedrijf 2] in Vijfhuizen. Uit de tijdens de doorzoekingen aangetroffen overschrijvingsbewijzen van contant geld komt naar voren dat de opbrengsten vermoedelijk worden overgemaakt naar Roemenië.
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
De rechtbank houdt ten nadele van verdachte voorts rekening met de omstandigheid dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor (onder meer) soortgelijke misdrijven. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw een reeks vermogensmisdrijven te plegen.
8.De schade van benadeelden
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
vijf(
5) jaren;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van onder 4 bewezen verklaarde feit tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 710,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2018 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzeling voor de duur van 14 dagenkan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van onder 6 bewezen verklaarde feit tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 10.327,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2018 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzeling voor de duur van 86 dagenkan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;