Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
(0,5 punt liquidatietarief met een maximum van € 120,00)
+ wettelijke rente
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van eiser bij ROC wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Eiser was sinds 1982 of 1987 in dienst en werd in maart 2016 arbeidsongeschikt. Na drie jaar arbeidsongeschiktheid beëindigde ROC de loondoorbetalingsverplichting en bood passende werkzaamheden aan, die eiser echter niet accepteerde.
Eiser vorderde een schadevergoeding wegens vermeend handelen in strijd met goed werkgeverschap omdat ROC niet instemde met zijn voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. ROC stelde dat passende re-integratiemogelijkheden bestonden en dat zij niet verplicht was in te stemmen met het voorstel.
De rechtbank oordeelde dat ROC terecht passende werkzaamheden had aangeboden die binnen de beperkingen van eiser vielen en dat er geen sprake was van een slapend dienstverband. De kantonrechter volgde de prejudiciële lijn van de Hoge Raad dat een werkgever alleen moet instemmen met beëindiging indien herplaatsing binnen redelijke termijn niet mogelijk is. Dit was hier niet het geval.
Ook de stelling van eiser dat het aanbod slechts gedeeltelijke uren betrof en daarmee deeltijdontslag had moeten plaatsvinden, werd verworpen omdat geen structurele urenbeperking bestond. De vorderingen tot schadevergoeding en openstaande vakantiedagen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen; geen sprake van strijd met goed werkgeverschap door ROC.