ECLI:NL:RBOVE:2020:3951
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.A. Peterzon
- K. Haar
- N.J.C. Monincx
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken hulpverleningsrelatie en onvoldoende bewijs ontucht gezondheidszorgmedewerker
De rechtbank Overijssel behandelde de zaak van een verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met meerdere cliënten van een woonzorgcentrum in Deventer. De tenlastelegging betrof onder meer het kussen en betasten van borsten van cliënten die aan zijn zorg waren toevertrouwd.
De officier van justitie stelde dat verdachte als medewerker in de gezondheidszorg handelde en misbruik maakte van zijn positie. De verdediging voerde aan dat het enkele rondbrengen van koffie en thee onvoldoende is om te spreken van een hulpverleningsrelatie zoals bedoeld in artikel 249, lid 2, sub 3 Sr, en dat onduidelijk was in hoeverre de cliënten door dementie hun wil konden bepalen.
De rechtbank oordeelde dat verdachte niet als hulpverlener kan worden aangemerkt omdat zijn werkzaamheden beperkt waren tot het rondbrengen van koffie en thee, zonder dat sprake was van een afhankelijke relatie of psychisch overwicht. Daarnaast was onvoldoende vastgesteld dat de cliënten door hun dementie niet in staat waren hun wil te bepalen of dat verdachte hiervan op de hoogte was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat hij niet als hulpverlener wordt aangemerkt en onvoldoende bewijs is dat slachtoffers niet in staat waren hun wil te bepalen.