ECLI:NL:RBOVE:2020:4444

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 december 2020
Publicatiedatum
21 december 2020
Zaaknummer
8776542 \ EJ VERZ 20-335
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 1 BWArt. 7:686a lid 4 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek transitievergoeding wegens afwijzing redelijk aanbod verlenging dienstverband

De werknemer was sinds oktober 2014 in dienst bij een uitzendbureau en werkte bij diverse opdrachtgevers. In mei 2020 bood de werkgever hem een verlenging van het dienstverband aan bij een opdrachtgever in Velsen-Noord met een contract voor onbepaalde tijd. De werknemer wees dit aanbod af vanwege de lange reisafstand van circa 150 kilometer.

De werkgever bood ter compensatie verblijf op of nabij de werklocatie en een auto van de zaak aan, maar de werknemer ging hier niet op in. De werknemer vorderde daarop een transitievergoeding omdat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2020 zou eindigen zonder voortzetting.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever een redelijk aanbod tot voortzetting had gedaan en dat het initiatief voor het niet voortzetten van het dienstverband bij de werknemer lag. Er was geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Daarom had de werknemer geen recht op transitievergoeding. Het verzoek werd afgewezen en de proceskosten werden aan de werknemer opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om transitievergoeding wordt afgewezen omdat de werknemer het redelijke aanbod tot voortzetting van het dienstverband heeft geweigerd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats
Zaaknummer : 8776542 \ EJ VERZ 20-335
Beschikking van de kantonrechter van 3 december 2020
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
procederende in persoon,
tegen
[verweerder] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna te noemen [verweerder] ,
gemachtigde: mr. D.G.J. Engbers.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 november 2020. De zitting heeft via Skype plaatsgevonden in verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het Corona-virus. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. [verweerder] is vertegenwoordigd door haar directeur [A] en bedrijfsleider [B] , vergezeld door mr. D.G.J. Engbers. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nog stukken toegezonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de (inhoud van de) mondelinge behandeling.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is op 9 oktober 2014 bij uitzendbureau [verweerder] in dienst getreden als uitzendkracht op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd met een fase 1- contract. Per 1 juli 2016 had [verzoeker] een fase 3-contract.
2.2.
[verzoeker] is gedurende zijn dienstverband bij diverse opdrachtgevers werkzaam geweest. In de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2020 was [verzoeker] belast met het blazen en zuigen van grind op daken bij opdrachtgever [X] in Balkbrug.
2.3.
In mei 2020 heeft [verweerder] aan [verzoeker] gevraagd of hij bereid was om bij opdrachtgever AB Clean in Velsen-Noord aan de slag te gaan. Aanvankelijk heeft [verzoeker] zich daartoe bereid verklaard. Op 28 mei 2020 heeft [B] namens [verweerder] formeel aan [verzoeker] het aanbod gedaan om met ingang van 1 juli 2020 bij opdrachtgever AB Clean in Velsen-Noord aan de slag te gaan. Toen heeft [verweerder] gezegd dat hij (toch) niet naar Velsen-Noord wilde. [verzoeker] heeft in de periode van 12 oktober 2015 tot 19 augustus 2016, van 1 juni 2016 tot 5 december 2016 en op 5 april 2017 ook werkzaamheden verricht bij AB Clean in Velsen-Noord.
2.4.
Bij e-mail van 29 mei 2020 heeft [verweerder] aan [verzoeker] het volgende laten weten.
“(…)
Zoals gisteren besproken, zal jouw arbeidsovereenkomst welke van rechtswege eindigt per 1 juli 2020, niet worden verlengd.De reden hiervan is mondeling met je besproken.
(…)”
2.5.
Op 1 juni 2020 vraagt [verzoeker] per e-mail aan [B] het volgende:
“naar aanleiding van jouw mail dat mijn contract afloopt per 1 juli heb ik nog een vraag. Hoe komen jullie bij de datum 1 juli, aangezien in mijn laatste detacheringsovereenkomst 31 december 2020 staat vermeld?”
2.6.
[B] heeft hier per e-mail van 4 juni 2020 als volgt op gereageerd:
“Op basis van de eerste detacheringsovereenkomst fase 3 zou jij op 1 juli 2020 in aanmerking komen voor een fase 4 overeenkomst. In artikel 3.4 van de huidige overeenkomst, staat vermeld dat deze overeenkomst eindigt van rechtswege op de laatste dag voordat de werknemer instroomt in fase 4. Wij kunnen je zoals besproken een overeenkomst aanbieden voor werkzaamheden bij AB Clean. Echter jij hebt aangegeven dit niet te willen. Vandaar kunnen we helaas niet anders dan je huidige overeenkomst te beëindigen.”
Bij e-mail van 16 juni 2020 heeft [verzoeker] aan [verweerder] het volgende geschreven.
“(…)
Vandaag had je het nog over het aanbod om naar AB Clean te gaan en dat ik dat niet wil. Je weet mijn redenen dat ik daar niet enthousiast over ben; de reistijd en de andere optie is de hele week daar alleen verblijven in een onderkomen van jullie.Ik heb er nogmaals over nagedacht, wanneer ik wel naar AB Clean ga, betekent het dan dat ik wel een fase 4 oftewel een vast contract bij jullie krijg? Dan sta ik daar wel open voor.
(…)”
2.7.
Op 23 juni 2020 heeft [verweerder] in reactie op de e-mail van [verzoeker] gereageerd dat zij de vacature bij AB Clean in Velsen-Noord inmiddels heeft vervuld.
2.8.
Op 2 juli 2020 heeft [verzoeker] aanspraak gemaakt op een transitievergoeding van € 5.443,08. [verweerder] weigert betaling.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 5.443,08, te vermeerderen met rente en met verstrekking door [verweerder] van een bruto/netto specificatie van dat bedrag. Verder heeft [verzoeker] verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met rente en de proceskosten.
3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag – kort gezegd – dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, althans dat [verweerder] hem geen redelijk aanbod tot verlenging van het dienstverband heeft gedaan. De afstand van zijn huis in [woonplaats] tot
AB Clean in Velsen-Noord bedraagt circa 150 kilometer en dat vindt [verzoeker] niet redelijk.
3.3.
[verweerder] heeft verweer gevoerd.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[verzoeker] heeft zijn verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding, zoals bedoeld in artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
4.3.
Ingevolge artikel 7:673 lid 1 BW Pro is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien:
a. De arbeidsovereenkomst:
1. door de werkgever is opgezegd;
2. op verzoek van de werkgever is ontbonden; of
3. na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet
of
b. de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever:
1. door de werknemer is opgezegd;
2. op verzoek van de werknemer is ontbonden; of
3. na een einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend is voortgezet.
4.4.
Voor het antwoord op de vraag of [verweerder] een transitievergoeding moet betalen, is dus van belang op wiens initiatief er een einde is gekomen aan het dienstverband, althans op wiens initiatief het dienstverband niet is voortgezet.
4.5.
Niet in geschil is dat [verweerder] op 28 mei 2020 aan [verzoeker] het aanbod heeft gedaan om met ingang van 1 juli 2020 bij de opdrachtgever in Velsen-Noord aan de slag te gaan. De werkzaamheden zouden volgens [verweerder] dan op grond van een nieuwe overeenkomst, namelijk een contract voor onbepaalde tijd (fase 4 contract), dienen te worden verricht. Hoewel [verzoeker] voor het gesprek op 28 mei 2020 al informeel te kennen had gegeven dat hij bereid was om in Velsen-Noord te gaan werken, heeft hij de opdracht in Velsen-Noord op 28 mei 2020 (toch) afgewezen. [verzoeker] vond het onterecht dat hij in Velsen moest gaan werken. Volgens [verzoeker] kan [verweerder] niet van hem verlangen dat hij dagelijks een aanzienlijke reisafstand (circa 150 kilometer) aflegt voor het woon-werkverkeer. [verweerder] onderkent op haar beurt dat het om een lange reisafstand gaat. [verweerder] heeft uitgelegd dat [verzoeker] tijdelijk naar Velsen-Noord moest en dat [verzoeker] weer dichterbij huis zou kunnen werken, zodra die mogelijkheid zich zou voordoen. Om [verzoeker] tegemoet te komen heeft zij [verzoeker] aangeboden om op werkdagen op kosten van de zaak op of dichtbij de werklocatie te verblijven. [verzoeker] is met die optie uiteindelijk niet akkoord gegaan. Gelet op zijn werkverleden bij dezelfde opdrachtgever (zie 2.3.) lag het echter op de weg van [verzoeker] om zijn weigering te motiveren. [verzoeker] heeft namelijk verklaard dat hij in het verleden ook in een hotel verbleef in de buurt van de werklocatie in Velsen-Noord. Na de weigering van het aanbod om in een hotel te verblijven, heeft [verweerder] [verzoeker] nog een auto van de zaak voor het woon-werkverkeer aangeboden. Dit aanbod heeft [verzoeker] ook geweigerd zonder een motivering te geven.
4.6.
Ter zitting liet [verzoeker] blijken dat hij wantrouwen heeft jegens [verweerder] . Zo heeft [verzoeker] onder meer verklaard dat hij door [verweerder] verplicht werd om wekelijks veel uren op te sparen in verband met de financiële situatie van [verweerder] . Volgens [verzoeker] zou [verweerder] hem hebben gedreigd met ontslag indien hij dat niet zou doen, hetgeen overigens door [verweerder] wordt betwist. Tegelijkertijd heeft [verzoeker] verklaard dat andere collega’s ook uren moesten opsparen en dat die collega’s veel meer opspaarden dan hijzelf deed. Ten slotte heeft [verzoeker] gesteld dat hij dacht dat hij voor de werkzaamheden in
Velsen-Noord wederom een nieuw bepaalde tijd (fase 1) contract zou krijgen en dus geen contract voor onbepaalde tijd (fase 4). Die stelling heeft [verweerder] betwist en verder heeft [verzoeker] zijn stelling niet nader onderbouwd. [verzoeker] heeft verder geen andere feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht die eventueel tot de conclusie zouden kunnen leiden dat [verweerder] jegens [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. De kantonrechter gaat daarom hieraan voorbij.
4.7.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter gelet op het werkverleden van [verzoeker] in Velsen-Noord van oordeel dat [verweerder] [verzoeker] een naar omstandigheden redelijk aanbod tot verlenging van het dienstverband heeft gedaan. Hierbij is ook van belang dat [verzoeker] desgevraagd heeft verklaard dat hij momenteel een nieuwe baan heeft gevonden in Purmerend en dat hij momenteel ook een aanzienlijke afstand moet afleggen om op de werklocatie te verschijnen. Zonder de ontbrekende toelichting van [verzoeker] valt niet in te zien waarom hij wel bereid is om voor zijn nieuwe werkgever een dergelijke afstand af te leggen, terwijl hij voor [verweerder] daartoe niet bereid is. Het enkele feit dat de voorzieningen bij zijn werk in Purmerend beter zijn, is daarvoor onvoldoende.
4.8.
De conclusie is dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan het vereiste dat het dienstverband op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet. Doordat [verzoeker] het aanbod van [verweerder] heeft afgeslagen is de arbeidsovereenkomst niet voortgezet. Dit betekent dat [verzoeker] ingevolge artikel 7:673 BW Pro geen recht heeft op een transitievergoeding.
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij ongelijk krijgt. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 600,00 (2 punten × tarief € 300,00) aan salaris voor de gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 600,-;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.N.R. Wegerif, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2020.