Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest en gescheiden waarbij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap was vastgesteld. Het woon-winkelpand is verkocht met een overwaarde, de overdracht stond gepland op 30 december 2020. De eiser vorderde betaling van achterstallige hypotheekrente, kosten energielabel en verwijdering van goederen door de gedaagde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering tot betaling van de hypotheekrente over juli tot en met oktober en december 2020 voldoende aannemelijk was en toewijsbaar, evenals de helft van de kosten voor het energielabel. Ook werd de gedaagde veroordeeld tot het verwijderen van de kappersstoel en wastafel uit het pand voor 24 december 2020, met een dwangsom bij niet-nakoming.
De vorderingen van de gedaagde tot betaling van de verkoopopbrengst, schuldaflossing en opheffing van beslag werden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en omdat deze kwesties behoren tot de bodemprocedure. De proceskosten werden verdeeld waarbij de gedaagde werd veroordeeld in de kosten van zowel conventie als reconventie.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige hypotheekrente, energielabelkosten en verwijdering van goederen, overige vorderingen worden afgewezen.