Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
2 [belanghebbende 1] ,
[belanghebbende 2],
Rechtbank Overijssel
In deze zaak verzocht de Uitvoeringscommissie Enter de rechtbank om een correctie in de beschikking van 4 maart 2020, omdat het griffierechtbedrag onjuist was vermeld als €291,00 in plaats van het juiste bedrag van €613,00. De rechtbank stelde verzoeker in de gelegenheid om hierop te reageren, waarna verzoeker verzocht om restitutie van het teveel betaalde griffierecht.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een kennelijke fout die eenvoudig te herstellen was. De fout bestond erin dat het griffierechtbedrag van €291,00, dat geldt voor een natuurlijk persoon, abusievelijk was toegepast op de Uitvoeringscommissie, een niet-natuurlijk persoon. Het juiste griffierechtbedrag voor de Uitvoeringscommissie bedroeg €626,00, een bedrag dat ook daadwerkelijk was voldaan.
De rechtbank zag geen reden voor restitutie aan de Uitvoeringscommissie, omdat het juiste bedrag was betaald. De correctie werd toegestaan op grond van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De griffierechtbedragen in de beschikking werden aangepast van €291,00 naar €626,00 en van €2.711,00 naar €3.046,00. De verbetering werd op de minuut van de beschikking van 4 maart 2020 vermeld en op 25 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank corrigeert het griffierechtbedrag in de beschikking van 4 maart 2020 van €291,00 naar €626,00 en wijst het verzoek tot verbetering toe.