Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[A] ,wonende te [woonplaats 1] ,
[B],
wonende te [woonplaats 1] , handelend als gevolmachtigde van [A] ,
1.[X] ,wonende te [woonplaats 1] ,
[Y],
wonende te [woonplaats 2] ,
Rechtbank Overijssel
Eisers, verhuurster en haar gevolmachtigde, vorderen dat gedaagden, huurders van een woning, deze binnen 48 uur opleveren in de staat bij aanvang van de huurovereenkomst, geheel ontruimd en met sleutels, onder dwangsom. Tevens wordt betaling van achterstallige huur en huurvervangende vergoeding gevorderd.
De huurovereenkomst liep van 1 december 2017 tot 30 november 2019. Gedaagde [Y] heeft de woning in juli 2019 verlaten, maar blijft volgens de rechtbank medehuurder omdat geen bewijs is geleverd van instemming tot beëindiging. Gedaagde [X] verblijft nog in de woning en betwist dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
De rechtbank oordeelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd per 30 november 2019, dat alleen verhuurster [A] vorderingen kan instellen en dat de gevolmachtigde niet-ontvankelijk is. De vordering tot oplevering wordt toegewezen tegen [X] alleen, aangezien [Y] de woning heeft verlaten. Betaling van achterstallige huur en huurvervangende vergoeding wordt toegewezen aan eisers tegen beide huurders. De gevorderde boete wordt afgewezen wegens onredelijkheid. De overige vorderingen van [X] worden afgewezen.
Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot oplevering van de woning en betaling van achterstallige huur en huurvervangende vergoeding; boetevordering wordt afgewezen.