ECLI:NL:RBOVE:2020:652

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 februari 2020
Publicatiedatum
17 februari 2020
Zaaknummer
8207218 \ CV EXPL 19-6967
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230v lid 6 BWArt. 3:39 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van telefonisch gesloten energieovereenkomst wegens schending vormvereiste

Eneco Services B.V. vorderde betaling van een consument op grond van een overeenkomst tot levering van energie die telefonisch tot stand zou zijn gekomen en vervolgens schriftelijk bevestigd. De rechtbank oordeelde dat deze overeenkomst nietig is omdat zij niet voldeed aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 6:230v lid 6 BW, dat vereist dat een overeenkomst tot levering van energie schriftelijk wordt gesloten wanneer de handelaar telefonisch contact initieert.

Eneco stelde niet wie het initiatief tot het telefoongesprek had genomen, maar de rechtbank ging ervan uit dat Eneco dit had gedaan, omdat dit gebruikelijk is en Eneco hierover niets had gesteld. De schriftelijke bevestiging van Eneco was geen aanbod dat nog moest worden aanvaard, maar slechts een bevestiging van de reeds gesloten mondelinge overeenkomst, wat niet voldoet aan de wettelijke vormvereiste.

Daarom is de overeenkomst nietig op grond van artikel 3:39 BW Pro en vervalt de rechtsgrond voor de vordering. Eneco legde subsidiair een beroep op ongerechtvaardigde verrijking voor, stellende dat de consument energie had afgenomen en daardoor ongerechtvaardigd was verrijkt. De rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd omdat Eneco niet had gespecificeerd welke schade zij had geleden.

De vordering werd daarom ook subsidiair afgewezen. Eneco werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl de kosten aan de zijde van de consument nihil werden begroot. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter A.M. Koene op 18 februari 2020.

Uitkomst: De vordering van Eneco wordt afgewezen wegens nietigheid van de overeenkomst en onvoldoende onderbouwing van ongerechtvaardigde verrijking.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 8207218 \ CV EXPL 19-6967
Vonnis van 18 februari 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap
ENECO SERVICES B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij, hierna te noemen Eneco,
gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2020
- de akte uitlating van Eneco.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.
2.2.
Bij tussenvonnis van 17 december 2019 heeft de kantonrechter Eneco in de gelegenheid gesteld haar vordering nader te onderbouwen.
De mondelinge overeenkomst.
2.3.
Eneco heeft gesteld dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen voor het leveren van energie. Daarbij was sprake van een schriftelijke overeenkomst. Volgens Eneco is de overeenkomst op 20 augustus 2015 telefonisch tot stand gekomen, welke vervolgens schriftelijk aan [gedaagde] is toegezonden.
2.4.
De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van Eneco dat er tussen partijen mondeling een overeenkomst tot stand is gekomen, namelijk tijdens een telefoongesprek en dat Eneco deze overeenkomst schriftelijk aan [gedaagde] heeft bevestigd. Eneco heeft bij akte deze bevestiging overgelegd.
De overeenkomst is nietig in verband met schending vormvereiste.
2.5.
Ingevolge artikel 6:230v lid 6 BW moet een overeenkomst tot het leveren van energie schriftelijke worden gesloten als de consument telefonisch is benaderd door de handelaar. In de praktijk zal de handelaar een aanbod schriftelijk opstellen en dit aan de consument toesturen. De consument zal dit moeten aanvaarden, bijvoorbeeld door ondertekening. Dit is alleen anders als de consument de handelaar telefonisch op eigen initiatief benadert.
2.6.
Nu Eneco niet heeft gesteld wie het initiatief heeft genomen voor het betreffende telefoongesprek, zal de kantonrechter er vanuit gaan dat Eneco hierbij het initiatief heeft genomen om [gedaagde] te benaderen, nu dit veelal zo zal zijn gegaan en Eneco heeft nagelaten hierover het nodige te stellen.
2.7.
Dit betekent dat de onderhavige overeenkomst rechtens niet op deze wijze kon worden aangegaan. Uit de overgelegde bevestiging van de overeenkomst blijkt niet dat dit een schriftelijk aanbod is, dat nog moest worden aanvaard door [gedaagde], maar juist dat dit slechts een bevestiging is van de reeds gesloten overeenkomst.
2.8.
Ingevolge artikel 3:39 BW Pro is de overeenkomst nietig in verband met het niet naleven van de wettelijke vormvereiste. Dit brengt met zich dat de rechtsgrond vervalt en de vordering op grond van de primaire grondslag zal worden afgewezen.
Ongerechtvaardigde verrijking is onvoldoende onderbouwd.
2.9.
Eneco heeft aan haar vordering subsidiair ten grondslag gelegd dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Zij heeft hiertoe gesteld dat [gedaagde] energie heeft afgenomen. Volgens Eneco is [gedaagde] aldus ongerechtvaardigd verrijkt en dient hij haar hiervoor schadeloos te stellen.
2.10.
Ongerechtvaardigde verrijking leidt tot een verplichting tot schadevergoeding voor zover dit redelijk is, waarbij de schade enerzijds afhankelijk is van de verrijking van [gedaagde] en anderzijds van de verarming van Eneco. De kantonrechter is van oordeel dat Eneco onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Eneco heeft namelijk niet onderbouwd voor welk bedrag zij is verarmd, althans schade heeft geleden. De enkele stelling dat de schade minimaal overeenkomt met het bedrag waarmee [gedaagde] is verrijkt is niet voldoende. Daarom zal de vordering ook op grond van de subsidiaire grondslag worden afgewezen.
Proceskosten.
2.11.
Eneco wordt als de in het ongelijk gestelde partij belast met de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt Eneco in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020. (SK)