Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
gevestigd te Rotterdam,
wonende te [plaats],
Rechtbank Overijssel
Eneco Services B.V. vorderde betaling van een consument op grond van een overeenkomst tot levering van energie die telefonisch tot stand zou zijn gekomen en vervolgens schriftelijk bevestigd. De rechtbank oordeelde dat deze overeenkomst nietig is omdat zij niet voldeed aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 6:230v lid 6 BW, dat vereist dat een overeenkomst tot levering van energie schriftelijk wordt gesloten wanneer de handelaar telefonisch contact initieert.
Eneco stelde niet wie het initiatief tot het telefoongesprek had genomen, maar de rechtbank ging ervan uit dat Eneco dit had gedaan, omdat dit gebruikelijk is en Eneco hierover niets had gesteld. De schriftelijke bevestiging van Eneco was geen aanbod dat nog moest worden aanvaard, maar slechts een bevestiging van de reeds gesloten mondelinge overeenkomst, wat niet voldoet aan de wettelijke vormvereiste.
Daarom is de overeenkomst nietig op grond van artikel 3:39 BW Pro en vervalt de rechtsgrond voor de vordering. Eneco legde subsidiair een beroep op ongerechtvaardigde verrijking voor, stellende dat de consument energie had afgenomen en daardoor ongerechtvaardigd was verrijkt. De rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd omdat Eneco niet had gespecificeerd welke schade zij had geleden.
De vordering werd daarom ook subsidiair afgewezen. Eneco werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl de kosten aan de zijde van de consument nihil werden begroot. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter A.M. Koene op 18 februari 2020.
Uitkomst: De vordering van Eneco wordt afgewezen wegens nietigheid van de overeenkomst en onvoldoende onderbouwing van ongerechtvaardigde verrijking.