Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , wonende te [plaats] , eiser,
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
€ 15.000,-.
Rechtbank Overijssel
Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen om handhavend op te treden tegen activiteiten op het terrein van een voormalig tuincentrum, met name tegen het opslaan en verplaatsen van grond en het dempen van een sloot. Verweerder nam gesplitste besluiten over belanghebbendheid en inhoudelijke beoordeling, waarbij alleen de zuidkant van het terrein als relevant werd beschouwd voor eisers verzoek.
Verweerder constateerde dat op de zuidkant van het terrein grond was opgeslagen in strijd met de bestemming en legde een last onder dwangsom op aan de eigenaar. Later werd vastgesteld dat de grond was verplaatst naar aangrenzende percelen met een agrarische bestemming, waarop nieuwe handhavingsbesluiten volgden, maar deze zijn niet onderdeel van de onderhavige procedure.
Eiser betoogde dat verweerder naliet tijdig op te treden tegen de verplaatsing van de grond en beschuldigde verweerder van bevoordeling van de projectontwikkelaar. De rechtbank oordeelde dat het beroep zich alleen richt op het oorspronkelijke handhavingsverzoek van 3 mei 2019 en dat verweerder terecht het besluit handhaafde dat alleen betrekking heeft op de zuidkant van het terrein. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het handhavingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.