ECLI:NL:RBOVE:2021:1277
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Matiging van makelaarscourtage wegens onredelijke hoogte na verkoop onderneming
De zaak betreft een geschil tussen een makelaarskantoor en een ondernemer over de betaling van courtage na verkoop van een horecabedrijf. De ondernemer had een exclusieve bemiddelingsopdracht verstrekt aan het makelaarskantoor, met een contracteerverbod om buiten de makelaar om te verkopen. De ondernemer verkocht zijn onderneming echter rechtstreeks aan een derde, waarna het makelaarskantoor betaling van de overeengekomen courtage vorderde.
De ondernemer stelde dat het makelaarskantoor tekort was geschoten in haar dienstverlening en dat partijen nadere afspraken hadden gemaakt over compensatie, wat niet was nagekomen. Ook voerde hij aan dat de courtage onredelijk hoog was en dat hij niet begreep dat courtage over het huurdersbelang verschuldigd was. De rechtbank oordeelde dat de exclusieve opdracht en het contracteerverbod ongewijzigd van kracht waren en dat de ondernemer in strijd daarmee had gehandeld door buiten de makelaar om te verkopen.
De rechtbank vond echter dat de gevorderde courtage, die meer dan 50% van de verkoopprijs bedroeg, onaanvaardbaar was. Gelet op de omstandigheden, waaronder de coronacrisis en de kwaliteit van de dienstverlening, matigde de rechtbank de courtage tot de helft van het overeengekomen bedrag plus gemaakte kosten. De gevorderde incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank veroordeelde de ondernemer tot betaling van €7.130,77 inclusief btw, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur.
Uitkomst: De rechtbank matigt de gevorderde courtage tot €7.130,77 inclusief btw en veroordeelt tot betaling hiervan met wettelijke handelsrente.