De rechtbank Overijssel heeft op 30 maart 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarbij een veroordeelde uit Zwolle werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk €12.825 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, maar na herberekening werd dit bedrag teruggebracht tot €3.225. De rechtbank baseerde haar berekening op een bewezen dealperiode van 83 dagen, waarbij werd uitgegaan van 90% actieve dealdagen en een gemiddelde dagopbrengst van €75, conform verklaringen van de veroordeelde en mededader.
De rechtbank verwierp de stellingen van de verdediging dat het voordeel negatief zou zijn na aftrek van kosten en dat de veroordeelde minder verdiende. Ook werd een brandstofvergoeding van €10 per dag buiten beschouwing gelaten omdat deze in verhouding stond tot de gemaakte kosten.
Verder werd de waarde van verbeurde goederen (een personenauto en een iPhone) op €2.400 geschat en in mindering gebracht op het geschatte voordeel, waardoor de betalingsverplichting op €3.225 werd vastgesteld. De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen, met een gijzelingstermijn van maximaal 64 dagen bij niet-betaling.