ECLI:NL:RBOVE:2021:1518

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 april 2021
Publicatiedatum
12 april 2021
Zaaknummer
08-994501-19 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 2 WEDArt. 6 SvWet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Overijssel verklaart zich onbevoegd in economische delictenzaak fipronil

De rechtbank Overijssel behandelde een zaak tegen een 30-jarige vrouw die werd verdacht van het bezit van biociden zonder toelating, waaronder het verboden middel fipronil, in de periode van augustus 2017 tot februari 2018. De officier van justitie had vrijspraak gevorderd voor deze verdachte.

Tijdens de terechtzittingen op 21 december 2020 en 10, 11 en 29 maart 2021 werd vastgesteld dat de verdachte enkel werd verdacht van een economisch strafbaar feit. Volgens artikel 39 lid 2 van Pro de Wet op de Economische Delicten (WED) is de meervoudige strafkamer van de rechtbank echter niet bevoegd om economische delicten te berechten, tenzij deze samenhangen met andere strafbare feiten, wat hier niet het geval was.

De rechtbank concludeerde daarom dat zij zich onbevoegd moest verklaren om kennis te nemen van de tenlastelegging tegen de verdachte en deed geen inhoudelijk oordeel. De zaak van medeverdachten, die betrokken waren bij het willens en wetens ontsmetten van pluimveestallen met fipronil, werd wel inhoudelijk behandeld en leidde tot veroordelingen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel op 12 april 2021, waarbij de rechtbank zich baseerde op de toepasselijke wetgeving omtrent economische delicten en de bevoegdheidsregels.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om de economische delicten tegen de verdachte te berechten en doet geen inhoudelijk oordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-994501-19 (P)
Datum vonnis: 12 april 2021
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 december 2020 en 10, 11 en 29 maart 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. D. van Ieperen en mr. F.A. Demmers en van hetgeen namens verdachte door haar raadsman mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode vanaf 11 augustus 2017 tot en met 12 februari 2018, al dan niet samen met een ander, biociden zonder toelating in haar bezit heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 11 augustus 2017
tot en met 12 februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Wageningen
en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
meermalen, maar in ieder geval eenmaal,
(telkens), opzettelijk, een of meer biocide(n), te weten (AMB-00287)
- een witte plastic flacon á 5 liter (DOC-03360), bevattende de werkzame stof
Amitraz en/of
- Dega 16 (DOC-03362), bevattende de werkzame stof Fipronil en/of
- 20 liters can 1 blauw 4% 15 1 = 375 L (DOC-03370), bevattende de werkzame
stof Fipronil en/of
- verzegelde witte liters verpakking zonder opschrift (DOC-03374), bevattende
de werkzame stof Fipronil en/of
- gele can half vol Debi puur (DOC-03376), bevattende de werkzame stof
Fipronil,
althans een of meer biocide(n), voorhanden heeft gehad,
terwijl (telkens) dat/die biocide(n) niet ingevolge de "Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden" was/waren toegelaten.

3.De voorvragen

3.1
Geldigheid van de dagvaarding
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is.
3.2
De bevoegdheid van de rechtbank
Verdachte is gedagvaard voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank. De rechtbank overweegt dat anders dan in de zaak van de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] , aan verdachte enkel een economisch strafbaar feit is ten laste gelegd. Ingevolge artikel 39 lid 2 van Pro de Wet op de Economische Delicten (WED) is berechting door een andere dan de economische kamer slechts mogelijk indien economische delicten zijn begaan in samenhang met één of meer strafbare feiten en het economisch delict ook is ten laste gelegd samen met één of meer van die andere strafbare feiten. Dat is hier niet het geval, zodat deze meervoudige kamer niet bevoegd is het ten laste gelegde economische delict te berechten. De meervoudige strafkamer kan zich ook niet op grond van artikel 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering bevoegd verklaren, nu deze bepaling slechts de relatieve bevoegdheid regelt.
De rechtbank stelt vast dat de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank op grond van artikel 39 WED Pro onbevoegd is om kennis te nemen van het ten laste gelegde feit aangezien dit feit een economisch delict betreft.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2021.