ECLI:NL:RBOVE:2021:1712

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 april 2021
Publicatiedatum
26 april 2021
Zaaknummer
08.166356.19 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 302 SrArt. 361 lid 2 SvArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met ijzeren buis na burenruzie

Op 5 mei 2019 sloeg een 74-jarige man zijn buurman met een ijzeren buis. De buurman en zijn vriend waren onder invloed van alcohol en zochten zelf de confrontatie. De rechtbank erkent de aanleiding maar oordeelt dat de reactie van verdachte te ver ging.

De verdachte werd vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een andere man, omdat niet bewezen kon worden dat hij verantwoordelijk was voor diens schedelbasisfractuur. Wel werd bewezen dat verdachte met opzet en voorwaardelijk opzet heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan de buurman door hem meerdere malen met een ijzeren buis te slaan.

De rechtbank legde een taakstraf van 80 uur op, zonder voorwaardelijk deel, en vervangende hechtenis van 40 dagen voor het geval de taakstraf niet wordt uitgevoerd. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering omdat het feit waarvoor schade werd gevorderd niet bewezen werd.

De rechtbank hield rekening met de agressieve houding van verdachte, de provocatie door de buurman, de leeftijd en geestestoestand van verdachte, alsmede het ontbreken van eerdere strafbare feiten. De redelijke termijn was niet overschreden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 80 uur taakstraf en 40 dagen vervangende hechtenis wegens poging zware mishandeling; vrijspraak voor andere mishandeling wegens gebrek aan bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.166356.19 (P)
Datum vonnis: 26 april 2021
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1947 in [geboorteplaats] (Turkije),
wonende aan [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 april 2021.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. Markink en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1 primair:op 5 mei 2019 [slachtoffer 1] zwaar heeft mishandeld door met een ijzeren buis te slaan waardoor [slachtoffer 1] een schedelbasisfractuur opliep;
feit 1 subsidiair:op 5 mei [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem bij zijn keel te pakken en te duwen, waardoor [slachtoffer 1] viel en een schedelbasisfractuur opliep;
feit 2 primair:op 5 mei 2019 heeft geprobeerd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een ijzeren buis te slaan en hem te schoppen
feit 2 subsidiair:op 5 mei 2019 [slachtoffer 2] heeft mishandeld door een stoel op hem te gooien, hem te slaan met een ijzeren buis en hem te schoppen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1hij op of omstreeks 5 mei 2019 te Deventeraan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur, heefttoegebracht door meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) met een (ijzeren/stalen)pijp/buis, althans een soortgelijk voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die[slachtoffer 1] te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnenleiden:hij op of omstreeks 5 mei 2019 te Deventer [slachtoffer 1] heeft mishandeld door:- die [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakken en/of te grijpen en/of (vervolgens)- die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen het lichaam te duwen en/of die [slachtoffer 1] tegen de garagedeurte duwen en/of door tegen de garagedeur te duwen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten valkwam, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur ten gevolge heeft gehad;
2hij op of omstreeks 5 mei 2019 te Deventerter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) met een (ijzeren/stalen) pijp/buis, althans een soortgelijk voorwerp, op/tegen de borst en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeftgeschopt/getrapt en/of heeft geslagen/gestompt (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val kwam en/of terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnenleiden:hij op of omstreeks 5 mei 2019 te Deventer[slachtoffer 2] heeft mishandeld door:- (vanaf een balkon) een stoel tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te gooien en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) met een (ijzeren/stalen) pijp/buis, althans een soortgelijk voorwerp, op/tegen de borst en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] teschoppen/trappen en/of te slaan/stompen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val kwam en/of terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag).

3.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsoverwegingen

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van feit twee acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde bewezen, met dien verstande dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor het tenlastegelegde schoppen en slaan van [slachtoffer 2] .
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gemotiveerd vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en subsidiair. Ook heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor het onder feit 2 primair tenlastegelegde, omdat uit het dossier niet blijkt op welke lichaamsdelen [slachtoffer 2] is geslagen en hij weliswaar spreekt van blauwe plekken, maar onduidelijk is hoe deze zijn ontstaan.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
feit 1
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Wat betreft het primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte [slachtoffer 1] met een ijzeren pijp of een soortgelijk voorwerp op het hoofd heeft geslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] tegen de garagedeur heeft geduwd en dat [slachtoffer 1] toen viel. De rechtbank twijfelt niet aan het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel. Het dossier biedt echter geen enkel aanknopingspunt dat [slachtoffer 1] door juist de duw van verdachte, of andere handelingen van verdachte, dit specifieke letsel heeft bekomen. Bovendien blijkt uit de verklaring van [getuige 1] dat [slachtoffer 1] door andere personen werd geslagen. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen of het de handelingen van verdachte zijn geweest die hebben geleid tot het letsel van [slachtoffer 1] . De rechtbank spreekt verdachte daarom van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde vrij.
4.3.2.
feit 2
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende. [1]
[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan op 10 mei 2019. [2] Hij heeft verklaard dat hij klappen kreeg met een ijzeren staaf van de man die eerder ook een ijzeren staaf vast had. Getuige [getuige 2] heeft daarover verklaard dat een man van Turkse afkomst of uit het Midden-Oosten van ongeveer 65 jaar met een ijzeren stok in zijn hand de man met de hond meerdere keren met die stok heeft geslagen. [3] De rechtbank twijfelt niet aan die verklaring, omdat die verklaring ondersteund wordt door de aangifte en de verklaring van getuige [getuige 3] [4] . Uit het dossier komt naar voren dat [slachtoffer 2] een hond bij zich had. Ook de zoon van [slachtoffer 2] heeft gezien dat een Turkse man zijn vader met kracht sloeg met een ijzeren buis. [5] Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een ijzeren buis vast heeft gehad. [6] Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] met die ijzeren buis heeft geslagen. De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het schoppen en slaan van [slachtoffer 2] .
[slachtoffer 2] heeft geen zwaar lichamelijk letsel opgelopen, zodat de tenlastegelegde poging bewezen kan worden verklaard. Naar uiterlijke verschijningsvorm moet het slaan met een ijzeren buis op het lichaam van een ander tot de conclusie leiden dat sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Immers, door zo te handelen bestond de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, een kans die verdachte op de koop toe heeft genomen. Dat [slachtoffer 2] niet zwaar gewond is geraakt, was niet van de wil of het handelen van verdachte afhankelijk.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit 2 primair heeft begaan, met dien verstande dat:
2hij op 5 mei 2019 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen, met kracht met een ijzeren/stalen pijp/buis, tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2 primair:
het misdrijf: poging tot zware mishandeling.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit 160 uren te verrichten onbetaalde arbeid, waarvan 100 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat met een lagere taakstraf dan 120 uren volstaan kan worden.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
Vooropgesteld dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het feit met de ernstigste gevolgen, is de rechtbank wel van oordeel dat verdachte zich op die 5 mei 2019 erg agressief heeft gedragen door met een ijzeren buis op zijn buurman in te slaan. Uit het dossier komt echter ook naar voren dat [slachtoffer 2] zelf een aandeel had in de ruzie. De rechtbank acht aannemelijk dat [slachtoffer 2] en zijn vriend onder invloed van alcohol waren en zijn begonnen met het schreeuwen naar verdachte. [slachtoffer 2] heeft de confrontatie uiteindelijk ook zelf gezocht door naar het huis van verdachte te gaan om ‘verhaal te halen’. De rechtbank begrijpt dat verdachte daar een reactie op wilde geven en dat hij zelf ook boos en gefrustreerd was. Wat hij vervolgens deed ging echter veel te ver.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij nooit eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Ook heeft het erg lang geduurd voordat de zaak ter terechtzitting kon worden behandeld, wat niet aan de verdediging te wijten is. De redelijke termijn is echter niet overschreden.
De reclassering heeft gerapporteerd over verdachte en vastgesteld dat zij het recidiverisico niet kunnen inschatten vanwege de ontkennende houding van verdachte. Er blijkt niet van problematiek op de leefgebieden. Verdachte ervaart wel overlast van mensen in de wijk en heeft daar stress van.
Al met al is een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk deel. Verdachte is een inmiddels 74-jarige man wiens geestestoestand langzaam achteruit gaat. Het feit is bijna twee jaar geleden gepleegd en in de tussentijd heeft verdachte geen nieuwe strafbare feiten gepleegd en is ook niet gebleken van meldingen daarover.

8.De schade van benadeelden

8.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 20.454,28 [twintigduizendvierhonderdvierenvijftig euro en achtentwintig cent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico € 254,28;
- twee dagen ziekenhuisopname €60,-;
- vest € 40,-.
Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 20.000,- gevorderd.
8.2
Het oordeel van de rechtbank
De vordering heeft betrekking op het onder feit 1 tenlastegelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op het op de artikelen 22c en 22d Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 2: het misdrijf: poging tot zware mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 primair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
80 (uren) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
40 dagen;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1] , (feit 1): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.
Buiten staat
mr. D.E. Schaap is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2019282501. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van aangifte van 10 mei 2019, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , p. 31-35.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige van 6 juni 2019, inhoudende de verklaring van [getuige 2] , p. 36-40
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige van 22 mei 2019, inhoudende de verklaring van [getuige 3] , p. 41-44.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige van 10 mei 2019, inhoudende de verklaring van [naam] , p. 62-63.
6.Het proces-verbaal ter terechtzitting van 12 april 2021, inhoudende de verklaring van verdachte.