ECLI:NL:RBOVE:2021:1757

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 april 2021
Publicatiedatum
28 april 2021
Zaaknummer
9009076 \ EJ VERZ 21-49
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 1 BWArt. 7:671b lid 6 BWArt. 7:671b lid 9 BWArt. 7:673 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding met toekenning transitievergoeding en loonbetaling

Verzoekster, een eenmanszaak in promotieartikelen, heeft de arbeidsovereenkomst met verweerster, werkzaam als zelfstandig commercieel medewerker, op verzoek van ontbinding ingediend wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Verweerster erkent de verstoring en de noodzaak tot ontbinding, maar vordert daarnaast een transitievergoeding en doorbetaling van loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst.

De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor bepaalde tijd en tweemaal verlengd, met een einddatum van 31 augustus 2021. Verweerster meldde zich ziek in november 2020, waarna mediationpogingen werden ondernomen. Verzoekster stopte de loonbetaling per februari 2021, wat door verweerster werd betwist.

De kantonrechter oordeelt dat het opzegverbod wegens ziekte niet aan ontbinding in de weg staat, omdat het verzoek niet verband houdt met de ziekte. De verstoring is zodanig dat voortzetting redelijkerwijs niet kan worden verlangd. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juni 2021, met toekenning van een transitievergoeding van €1.110,10 bruto. De loonstop is onterecht, zodat verzoekster wordt veroordeeld tot doorbetaling van het loon tot de ontbindingsdatum. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 juni 2021 met toekenning transitievergoeding en loonbetaling tot die datum.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 9009076 \ EJ VERZ 21-49
Beschikking van de kantonrechter van 19 april 2021
in de zaak van
[verzoekster], h.o.d.n. [X],
wonende en zaakdoende [woonplaats],
verzoekende partij, hierna te noemen [verzoekster],
gemachtigde: mr. R.A.J. Zomer, advocaat
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verwerende partij, hierna te noemen [verweerster],
procederend in persoon,

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Het verzoekschrift is op 4 februari 2021 ontvangen op de griffie van de rechtbank. [verweerster] heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.
1.2.
Op 22 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. In verband met de overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het Coronavirus heeft deze behandeling plaatsgehad via een digitale beeldverbinding (Skype voor Bedrijven). De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • [verzoekster], in persoon, bijgestaan door haar advocaat mr. Zomer;
  • [verweerster], in persoon, bijgestaan door [A] (voormalig werkgeefster van [verweerster]) en [B] (schoonvader van [verweerster]).

2.Waar gaat het geschil over?

[verzoekster] heeft een eenmanszaak die handelt in promotieartikelen. [verzoekster] is in een burn-out terecht gekomen en had in die situatie behoefte aan een zelfstandig werkende commercieel medewerker. In dat kader is [verweerster] met ingang van 31 januari 2019 als werknemer in dienst gekomen bij [verzoekster]. Volgens [verzoekster] is er inmiddels een onherstelbare verstoring in de verstandhouding van partijen ontstaan en moet de arbeidsovereenkomst daarom op de zogenaamde g-grond uit de wet (Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 669 lid 3 onder Pro g,) worden ontbonden door de kantonrechter. [verweerster] onderschrijft het bestaan van deze grond en de noodzaak om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen. Zij maakt daarbij wel aanspraak op een transitievergoeding en op doorbetaling van haar salaris tot het einde van de arbeidsovereenkomst.

3.De feiten

Bij de beoordeling van het geschil gaat de kantonrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden die tussen partijen vaststaan.
3.1.
[verweerster], geboren [1984], is op 31 januari 2019 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij werkgever [verzoekster]. De arbeidsovereenkomst is vervolgens twee keer verlengd. Dat gebeurde voor de eerste keer op 30 augustus 2019 en voor de tweede keer op 30 augustus 2020. Bij de laatste verlenging is bepaald dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen op 31 augustus 2021.
3.2.
De arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Daarin is bepaald dat [verweerster] werkzaam is in de functie van zelfstandig commercieel medewerker voor 23 uur per week met een salaris van € 1.320,= bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Verder is bepaald dat de arbeidsovereenkomst tussentijds kan worden opgezegd.
3.3.
[verweerster] heeft zich op 23 november 2020 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft op 5 januari 2021 geadviseerd om mediation in te zetten. Omdat het partijen niet lukte om gezamenlijk tot invulling van het Plan van Aanpak te komen heeft de verzuimmanager eind januari 2021 geadviseerd om dat onderwerp aan de orde te stellen bij de mediator. Op 16 februari 2021 heeft een mediationgesprek plaatsgevonden.
3.4.
[verzoekster] heeft de loonbetaling aan [verweerster] stopgezet met ingang van de maand februari 2021. Op 12 februari 2021 heeft [verzoekster] dit in een e-mailbericht en in een aangetekende brief van die datum aan [verweerster] kenbaar gemaakt. Daaraan voorafgaand heeft [verzoekster] op 4 februari 2021 aan de kantonrechter verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.Het verzoek

4.1.
[verzoekster] wil dat de arbeidsovereenkomst met [verweerster] door de kantonrechter wordt ontbonden op basis van een verstoorde arbeidsverhouding. Die verstoring is zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst nog te laten voortduren. Het verzoek van de werkgever is gebaseerd op de volgende wetsartikelen uit Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek: artikel 671b lid 1, onderdeel a, en artikel 669 lid 3 onderdeel Pro g (of kortweg artikel 7:671b lid 1, onderdeel a en artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro g).

5.Het verweer

5.1.
[verweerster] deelt de opvatting van [verzoekster] dat de arbeidsverhouding van partijen ernstig is verstoord en dat daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst nodig is. Zij heeft zich met spanningsklachten ziekgemeld. [verweerster] is van mening dat het ontstaan van deze situatie niet aan haar kan worden verweten. Als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] om toekenning van een transitievergoeding. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verweerster] daaraan toegevoegd dat zij ook doorbetaling wenst van het normale salaris tot aan het einde van het dienstverband.

6.De beoordeling

6.1.
De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat werknemer ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW (artikel 671b lid 6 uit Boek 7 Burgerlijk Wetboek) echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van werknemer.
6.2.
Tussen partijen staat vast dat er sprake is van een ernstig en ook duurzaam verstoorde verstandhouding. In het midden kan blijven aan wie deze verstoring te wijten is. In deze situatie ligt het niet in de rede dat werknemer nog herplaatst kan worden in een andere functie bij werkgever. De kantonrechter zal daarom op basis van de zogenaamde g-grond uit de wet de arbeidsovereenkomst van partijen ontbinden. Met toepassing van artikel 7:671b lid 9, onderdeel a, BW (artikel 671b lid 9 onderdeel a uit Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek) zal worden ontbonden met ingang van 1 juni 2021. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
6.3.
In verband met deze ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft [verweerster] recht op een transitievergoeding. Dit volgt uit hetgeen is bepaald in artikel 7:673 lid 1 onder Pro a BW (artikel 673 lid 1 onder Pro a uit Boek 7 Burgerlijk Wetboek). De transitievergoeding bedraagt in dit geval € 1.110,10 bruto en deze wordt aan [verweerster] toegekend aangezien zij daarom gevraagd heeft.
6.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoekster] de loonbetaling aan [verweerster] met ingang van 1 februari 2021 heeft stopgezet. [verweerster] heeft verzocht om doorbetaling van het salaris tot aan het einde van het dienstverband. De kantonrechter zal het verzoek van [verweerster] tot doorbetaling van het loon toewijzen. [verzoekster] heeft weliswaar aangevoerd dat [verweerster] onvoldoende meewerkte aan de re-integratie bij ziekte en dat dit een reden voor de loonstop is, maar de kantonrechter heeft niet kunnen vaststellen dat dit daadwerkelijk het geval is (geweest). De discussie van partijen over de inhoud van het Plan van Aanpak bij ziekte, en in dat kader de discussie over het aangaan van mediation, past in het beeld van de verstoorde verhoudingen tussen partijen. Daarover hebben partijen zelf verklaard dat die verstoorde verhouding niet in overwegende mate aan één van beide partijen is te wijten. Vaststaat verder dat [verweerster] op het geplande mediationgesprek op 16 februari 2021 aanwezig is geweest. Er is in dat kader dus geen sprake van een onttrekking aan verplichtingen door de werknemer. De kantonrechter ziet in deze gang van zaken daarom geen redelijke grond voor een loonstop en gaat er daarom vanuit dat [verzoekster] tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen, - dat betekent tot 1 juni 2021 -, het loon van [verweerster] normaal en volledig zal doorbetalen. [verzoekster] zal in deze uitspraak daartoe veroordeeld worden.
6.5.
Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

7.De beslissing

De kantonrechter:
7.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang
van 1 juni 2021;
7.2.
kent aan [verweerster] een transitievergoeding toe van een bedrag van € 1.110,10 bruto en veroordeelt [verzoekster] tot betaling van dit bedrag;
7.3.
veroordeelt [verzoekster] tot doorbetaling aan [verweerster] van het overeengekomen loon met emolumenten tot aan het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst (dus tot 1 juni 2021);
7.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.5.
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2021.