Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Enschede om bijzondere bijstand voor verhuurkosten af te wijzen. Nadat verweerder niet tijdig op het bezwaar had beslist, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank heeft verweerder meerdere malen verzocht om stukken in te dienen en te verschijnen voor een inlichtingencomparitie, maar verweerder is niet verschenen en heeft geen stukken overgelegd. De rechtbank past artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht toe en beoordeelt het beroep op basis van het beroepschrift.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in gebreke is gebleven met het tijdig beslissen op het bezwaar, waardoor het beroep gegrond wordt verklaard. Er wordt een dwangsom vastgesteld van € 1.442,- wegens de overschrijding van de beslistermijn en een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor eventuele verdere overschrijding, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt verweerder opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit op het bezwaar te nemen en wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser. De rechtbank wijst op het recht van verweerder om binnen zes weken verzet in te stellen tegen deze uitspraak.