Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
De werknemer was sinds maart 2020 in dienst bij de werkgever als chauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die stilzwijgend werd voortgezet. In april 2020 lekte diesel uit een door de werknemer gebruikte vrachtwagen, waardoor de werkgever aansprakelijk werd gesteld voor milieuschade. De werkgever hield daarop bedragen in op het loon van de werknemer.
De werknemer meldde zich in februari 2021 ziek, maar de werkgever betwistte de ziekmelding en ging ervan uit dat de werknemer zijn dienstverband wilde beëindigen, mede vanwege app-berichten die niet zijn ingebracht. De werknemer vorderde loonbetaling en herstel van onterecht ingehouden bedragen.
De rechtbank stelde vast dat geen duidelijke en ondubbelzinnige instemming met beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gegeven door de werknemer en dat de inhoudingen op het loon niet gerechtvaardigd waren omdat geen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, wettelijke verhoging, incassokosten en rente, en tot het verstrekken van een bruto/netto specificatie, met een dwangsom bij niet-naleving.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, incassokosten en wettelijke rente wegens onterechte inhouding en niet beëindigen arbeidsovereenkomst.