Verzoekers dienden op 23 maart 2021 een verzoek tot wraking in tegen mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter van de meervoudige kamer die de bodemprocedure behandelt over een omgevingsvergunning verleend aan een bedrijf. Verzoekers stelden dat mr. Cornelissen zich niet onpartijdig had opgesteld door het verzoek tot uitstel van de zitting af te wijzen en een niet tijdig ingediend verweerschrift toe te laten, wat volgens hen het recht op een eerlijk proces schond.
De wrakingskamer oordeelde dat de beslissingen van mr. Cornelissen procedurele aard waren en dat een negatieve beoordeling daarvan niet zonder meer wraking rechtvaardigt. Er waren geen concrete feiten of omstandigheden die objectief de vrees voor partijdigheid konden rechtvaardigen. Het verzoek om prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie werd niet noodzakelijk geacht.
De wrakingskamer wees het verzoek tot wraking af en verwierp tevens het verzoek om proceskostenveroordeling. De beslissing werd op 30 april 2021 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer bestaande uit drie rechters. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.