Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
In deze zaak heeft eiser een verzoek ingediend tot verbetering van het vonnis van 4 mei 2021. Eiser stelde dat in rechtsoverweging 4.9 een kennelijke fout was gemaakt omdat een eerdere aanmaning met een betalingstermijn van zestien dagen was over het hoofd gezien. De kantonrechter heeft gedaagde in de gelegenheid gesteld om zich over het verzoek uit te laten, waarna gedaagde bezwaar maakte tegen het herstel.
De kantonrechter oordeelde dat het vonnis geen kennelijke fout bevat die zich voor eenvoudig herstel leent. Het betreft een rechterlijk oordeel over de aanmaning en de toepassing van artikel 6:96, zesde lid, BW. Omdat het een inhoudelijke beoordeling betreft, kan dit niet worden hersteld via een herstelverzoek.
De kantonrechter wees het verzoek tot verbetering af en gaf aan dat eiser, indien hij het niet eens is met het oordeel, een rechtsmiddel tegen het vonnis moet instellen. Het vonnis werd uitgesproken op 22 juni 2021 door kantonrechter A. Smedes.
Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van het vonnis wordt afgewezen omdat geen sprake is van een kennelijke fout maar van een rechterlijk oordeel.