Art. 8 Verordening (EU) 1215/2012Art. 115 lid 1 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing vordering tot oproeping in vrijwaring van Duitse vennootschap in civiele koopovereenkomst
In deze civiele zaak tussen Numaxx GmbH en International Business Genemuiden B.V. (IBG) staat een geschil omtrent de levering van vloeren centraal. Numaxx vordert dat IBG wordt veroordeeld wegens toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad, omdat de geleverde vloeren niet geschikt zouden zijn voor normaal gebruik.
IBG vordert in een incident dat de Duitse vennootschap Classen Holz Kontor GmbH in vrijwaring wordt opgeroepen, omdat Classen de vloeren heeft geproduceerd en mogelijk aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank beoordeelt dat IBG voldoende concreet heeft gesteld dat er een rechtsverhouding bestaat die een verhaalsrecht op Classen kan inhouden.
Op grond van artikel 8 lid 2 vanPro Brussel I bis is de rechtbank Overijssel bevoegd om van het vrijwaringsgeschil kennis te nemen. De vordering tot oproeping in vrijwaring wordt daarom toegewezen, met een termijn van acht weken voor de dagvaarding van Classen. De proceskosten van het incident worden aan IBG opgelegd. De hoofdzaak wordt aangehouden tot de conclusie van antwoord van IBG op 25 augustus 2021.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van IBG tot oproeping in vrijwaring van Classen toe en houdt de hoofdzaak aan tot 25 augustus 2021.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 264399 / HA ZA 21/147
Vonnis in incident van 30 juni 2021
in de zaak van
de vennootschap naar Zwitsers recht
NUMAXX GMBH, gevestigd te Sarnen (Zwitserland),
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
hierna te noemen Numaxx,
advocaten: mrs. O.J. Hennis en M. van Riet
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTERNATIONAL BUSINESS GENEMUIDEN B.V., gevestigd te Zwartewaterland en kantoorhoudende te Genemuiden,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen IBG,
advocaten: mrs. J.F. Hoff en I.M. Peeperkorn.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 maart 2021;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is in het incident vonnis bepaald.
2.Het geschil
in de hoofdzaak
2.1.
Numaxx en IBG hebben een koopovereenkomst gesloten, op grond waarvan IBG vloeren aan Numaxx heeft geleverd. Numaxx vordert primair een verklaring voor recht dat IBG toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de koopovereenkomst tussen partijen met veroordeling van IBG tot het betalen van schadevergoeding. Subsidiair vordert Numaxx een verklaring voor recht dat IBG jegens Numaxx een onrechtmatige daad heeft gepleegd, met veroordeling van IBG tot het betalen van schadevergoeding.
2.2.
Numaxx legt hieraan – samengevat – ten grondslag dat IBG vloeren heeft verkocht en geleverd die niet geschikt zijn voor normaal gebruik, omdat ze niet geschikt zijn om te worden gelegd. Daarmee is IBG toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst, althans heeft IBG onrechtmatig jegens Numaxx gehandeld.
in het incident
2.3.
IBG vordert dat haar wordt toegestaan de vennootschap naar Duits recht Classen Holz Kontor GmbH (hierna: Classen) in vrijwaring op te roepen. Hiertoe voert IBG aan dat de betreffende partij vloeren is geproduceerd door Classen. Indien Numaxx schade heeft geleden, komt dat door het tekortschieten, dan wel het onrechtmatig handelen van Classen. Classen moet daarom de gevolgen dragen van eventueel tekortschieten of van een onrechtmatige daad en de schade die daarvan het gevolg is, vergoeden.
2.4.
Numaxx heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.De beoordeling
in het incident
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende concreet en gemotiveerd wordt gesteld dat de verzoeker tot vrijwaring, in geval van een voor hem ongunstige afloop van de hoofdzaak, krachtens hun onderlinge rechtsverhouding een verhaalsrecht kan hebben op diegene die hij in vrijwaring wenst op te roepen. De rechtbank is van oordeel dat IBG voldoende onderbouwd heeft gesteld dat er een rechtsverhouding tussen IBG en Classen bestaat die voor IBG mogelijk een verhaalsrecht op Classen met zich meebrengt. Daarmee is de vordering tot oproeping in vrijwaring in beginsel toewijsbaar. De Duitse vennootschap Classen kan op grond van artikel 8 aanhefPro en sub 2 van Verordening (EU) 1215/2012 (Brussel Ibis) worden opgeroepen voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt. De rechtbank Overijssel, locatie Zwolle is daarmee bevoegd om van het geschil in vrijwaring kennis te nemen. De vordering tot oproeping in vrijwaring zal dan ook worden toegewezen.
3.2.
Op grond van artikel 115 lid 1 RvPro dient IBG bij het dagvaarden van Classen een dagvaardingstermijn te hanteren van (ten minste) vier weken. De rechtbank hanteert daarom een termijn van acht weken voor de oproeping in vrijwaring van Classen.
3.3.
IBG zal worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident. De kosten aan de zijde van Numaxx worden begroot op nihil, nu zij zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
in de hoofdzaak
3.4.
De rechtbank zal bepalen dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 augustus 2021 voor het nemen van de conclusie van antwoord door IBG.
3.5.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4.De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
staat IBG toe om de vennootschap naar Duits recht Classen Holz Kontor GmbH, gevestigd te Kaisersesch in Duitsland, in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de civiele terechtzitting van de rechtbank Overijssel, afdeling civiel, team kanton en handelsrecht, locatie Zwolle op woensdag 25 augustus 2021, teneinde op de eis in vrijwaring te antwoorden;
4.2.
veroordeelt IBG in de proceskosten, aan de zijde van Numaxx begroot op nihil;
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de procedure naar de civiele rolzitting van woensdag 25 augustus 2021, teneinde IBG in staat te stellen te concluderen voor antwoord;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.